Bruine boon voor de zwarte koning

Zie je in sommige huizen de kerstboom nog staan? Dan heb je kans dat daar morgen Driekoningen wordt gevierd. Bij ons thuis vierden we dat altijd op 6 januari, met tulband, verkleedpartijen en zingen.

Twee van de drie koningen Wise men Melchior, bringing gold, left, and Balthasar, bringing frankincense, right, are seen at a nativity scene at Krijtberg church in Amsterdam, Netherlands, Tuesday, Dec. 19, 2006. According to a study published in The Journal of Applied Ecology, trees in the Horn of Africa which provide most of the frankincense exported to world's markets are failing to reproduce due to overaggressive exploitation, and their population may be headed for a crash. Frankincense is dried sap harvested from several related species of the Boswellia tree found on high scrublands at the southern end of the Arabian peninsula and the Horn of Africa. (AP Photo/ Evert Elzinga) Associated Press

Tot die dag moest de kerstboom bij ons thuis blijven staan, al waren er nog zoveel dennennaalden uit gevallen. Het ging eigenlijk vooral om de kerststal met de beeldjes van de drie koningen. Volgens de Bijbel kwamen de drie koningen de dertiende dag bij Jezus op kraambezoek. Daarom mochten onze koningsbeeldjes niet meteen in onze kerststal staan. In plaats daarvan zetten we ze iedere dag een stukje dichterbij om hun reis vanuit het Verre Oosten na te spelen.

Volgens het Bijbelverhaal reisden de drie koningen een bijzondere ster achterna. Zo kwamen ze in de stal bij Jezus, voor wie ze mirre, goud en wierook meebrachten. Mirre? Nu kun je met Google vinden dat mirre wordt gebruikt in alle mogelijke middeltjes, tegen hoofdpijn, kiespijn en rimpels bijvoorbeeld. Maar toen ik kind was, bestond er nog geen internet. Daarom vroeg ik mijn meester, mijnheer Baars, wat mirre eigenlijk was. Dat moest hij eerst thuis opzoeken. De volgende dag vertelde hij: mirre was een zalf waarmee overledenen ingesmeerd konden worden, om te voorkomen dat de lichamen gingen rotten. Een raar cadeau voor een baby, vond ik, maar meester zei dat het goed bedoeld was.

Op 6 januari mochten wij de beeldjes van de drie koningen in de stal zetten. Mijn moeder bakte die dag een tulband, een ronde taart met een gat in het midden. Ze deed één bruine boon in het beslag. Na het eten sneed mijn vader de tulband in mooie gelijke stukken die hij een voor één aanwees. Dan vroeg hij „voor wie is dit stuk?” Een van ons mocht dan in een hoek van de kamer, met de ogen dicht, antwoord geven. Zo wisten we allemaal zeker dat niemand kon weten wie het stuk met de boon had gekregen. Dat maakte het eten van de tulband spannend, want als je de boon had, mocht je Balthasar, de zwarte koning, spelen.

Dan schminkte mijn vader je zwart met een kurk, die hij eerst even in een kaars hield. Ik wist al heel jong dat de kurk snel afkoelde en dat mijn vader wel oppaste dat hij ons geen pijn deed. Maar soms hadden we bezoekers die het domweg niet durfden en hun boon liever doorgaven aan iemand anders. Onbegrijpelijk vond ik. Ik wilde niets liever dan de zwarte koning zijn, want dan had je de macht. Je mocht als eerste kleren uit de verkleedkist kiezen en aanwijzen wie de andere twee koningen mochten spelen: Caspar en Melchior.

Een keer stelde mijn moeder voor dat we geschminkt en verkleed zouden aanbellen bij de buurvrouw om voor haar ons speciale driekoningenlied te zingen. We lieten ons overhalen, omdat we dan snoep zouden krijgen. Maar de buurvrouw lachte ons uit. Daarna wilden we nooit meer verkleed de straat op.

Om toch iets te doen, staken we achterin de tuin onze kerstboom in de fik. Dat knetterde leuk en het rook heerlijk. En zo was ons driekoningenfeest eigenlijk alleen maar leuker: een soort geheim feest voor ons alleen.