Bekijk het lijf met een slagersblik

Simona Vinci: Kamer 411.Vertaald door Marieke van Laake. Wereldbibliotheek, 128 blz. €14,90

Men moet de liefde niet beschrijven maar bedrijven. Je zou wensen dat veel schrijvers deze raad ter harte namen, want dan zouden we verschoond blijven van grote porties apekool. Wanneer Eros op zijn pad komt verliest menige auteur immers de controle over zijn Pegagus, die vervolgens wild aan het steigeren gaat of hevig op hol slaat. Niettemin blijven met name schrijvers van vrouwelijke kunne halsstarrig proberen de liefde te verbaliseren, in alle betekenissen van dat werkwoord welteverstaan. Bij dergelijke gevallen is – meer nog dan in het liefdesspel zelf – een combinatie van beheersing en bezieling vereist om te kunnen spreken van een geslaagd resultaat. Alles draait dus om stijl, om de vorm waarin dat glibberige goedje dat men liefde noemt, wordt gegoten.

Ook de Milanese schrijfster Simona Vinci, van wie in Nederland eerder alleen haar debuutroman De onschuld van kinderen (1998) verscheen, onderneemt een manhaftige poging om een roman te schrijven waarin de liefde een hoofdrol speelt. Zij is zich bewust van de moeilijkheid van deze onderneming, getuige de volgende woorden van de verteller-hoofdpersoon, een jonge vrouw die een hevig maar ongelukkig liefdesavontuur achter de rug heeft: ‘Ik weet dat ze [de liefde] ongrijpbaar is. En niet verwoord kan worden.’ Maar in weerwil van dit besef beschrijft deze vrouw hoe Cupido haar te grazen heeft genomen. Daarbij richt ze zich tot de man met wie ze de meest roofzuchtige en wanhopige liefde van haar leven heeft beleefd. Goddank gaat dit zelden gepaard met een zweverig idioom en concentreert de vertelling zich niet uitsluitend op de zielenroerselen van de verbitterde protagoniste. De blik wordt regelmatig gericht op uiterlijke en lichamelijke zaken. Zo bekijkt de vertelster zichzelf bijvoorbeeld op meedogenloze wijze in de spiegel van een hotelkamer: ‘Wij vrouwen, we zijn het zelf die ons lichaam met een slagersblik bekijken, het in gedachten in stukken verdelen: schouder, bout, schenkel, spek, worstjes.’ En voor dat lichaam zorgt zij ‘met de bekwaamheid van een kok die met een spuit soezen vult met room, of die met ene krachtige draai van zijn handen een pudding omkeert op een schaal.’

Zolang ook de liefde in dit verhaal wordt benaderd met een slagersblik en met de bekwaamheid van een kok, valt er veel te genieten. Onomwonden oppert de vertelster bijvoorbeeld dat ze mannen altijd om hun geslacht heeft gekozen en omdat ze goed kunnen neuken. Dat is de heldere taal van een slager, die soms gelardeerd wordt met de zwier van een virtuoze cuisinier: ‘Overgeleverd aan dat vlezige aanhangsel, zwellend van bloed, rijden jullie ’s nachts door de straten, op jacht naar hoeren.’ Hier glorieert de stijl en krijgt de in talrijke repen gesneden tekst een explosieve kracht.

Maar helaas heeft Vinci gemeend ons behalve op een slagersblik ook op een hogepriesterblik te moeten trakteren, die zowel zalvend als bezwerend tegeltjeswijsheden produceert van het type ‘liefde is…’. Dan krijgen we niet alleen copieuze citaten op ons bord van Chateaubriand, Brodsky, José Ortega y Gasset en Philip Larkin, maar ook onverteerbare zinnen als ‘Liefde wil branden. Liefde wil alles en onmiddellijk, op het gevaar af dat ze uitdooft’. Of we moeten lezen dat liefde iets is ‘wat tegen alle logica, alle belang, alle voorzichtigheid, alle gezond verstand ingaat.’ Alsof we dat nog niet wisten.

Dezelfde spanning tussen concreet en abstract, tussen plastisch en plechtig wordt weerspiegeld in de locaties die een rol spelen in deze korte roman, of veeleer novelle. Aan de ene kant is er kamer 411 van hotel Nazionale te Rome, het vertrek waar beide geliefden elkaar het eerst beminden en waarnaar de protagoniste terugkeert om haar ervaringen op schrift te herbeleven. De kille, kale anonimiteit van deze ruimte ‘precies in het midden van deze immense, uitgeputte, aangetaste, uitgetelde stad’ wordt voortreffelijk invoelbaar, of zelfs tastbaar gemaakt, mede doordat de vertelster regelmatig de voorbije gebeurtenissen beschrijft alsof die in het heden plaatsvinden. In deze kamer is het verliefde stel ‘tot op het bot gereduceerd’: hier zijn zij moderne personages, ontheemd, opgejaagd, gedesoriënteerd. Hier heerst geen enkele geborgenheid, geen haardvuursfeertje.

Aan de andere kant is er dan het Pantheon, een letterlijk en figuurlijk verheven ruimte waarheen de protagoniste zich soms begeeft om zich beschut en tegelijkertijd bevrijd te voelen. Deze ruimte heeft in het verhaal bovenal een symbolische functie. Ze staat voor het ideaalbeeld van de liefde: duurzaam en sterk ondanks de broosheid van haar materialen, een plek waar ‘het licht van de wereld naar binnen valt’ door een oculus, die door duivels zou zijn gemaakt om te kunnen ontsnappen.

Tussen deze twee coördinaten, een onverwoestbare liefdestempel en een hotelkamer waar vleselijke en vluchtige liefde wordt bedreven, speelt de melancholieke novelle zich af. Veel komen we niet te weten over de man op wie de vertellende vrouw zo dodelijk verliefd was. Hij blijkt weinig betrouwbaar te zijn en hij kijkt haar nooit rechtstreeks aan met zijn ogen die doen denken aan bepaalde heldere dagen in maart waarop het plotseling kan gaan sneeuwen. En hij is kalm en gereserveerd, maar ook hongerig naar macht en mogelijk gewelddadig. Terwijl zijzelf afwisselend verlangend en afwijzend is, dienstbaar en vrijgevochten. Waarom ging het uiteindelijk mis tussen deze twee mensen? Had het te maken met een conflict tussen aanhankelijkheid en onafhankelijkheid? Een eenduidige verklaring biedt Vinci niet. Misschien komt het wel omdat Venus, de godin van de liefde, geboren is uit zeewater en het bloed van de afgesneden testikels van Uranus. En omdat diezelfde Venus zonodig verliefd moest worden op Mars, de god van de oorlog, zoals we ook kunnen lezen in Kamer 411. Daar kan hooguit een slager nog iets mee – een hogepriester komt hier echter van een koude kermis thuis.

    • Peter Drehmanns