Bedwelmd door heldenmoed

Held of misdadiger – die grens is vaak dun bij historische ‘grote mannen’. En ook bij ‘normale mensen’ kunnen morele normen makkelijk gaan schuiven.

Iraakse kinderen in militair kostuum zingen patriottische liederen ter ere van de Iraakse president Saddam Hussein in een theater in Bagdad, 1998 Foto AP/Enric Marti **FILE** Iraqi children dressed in military fatigues sing patriotic songs next to a portrait of Iraqi leader Saddam Hussein during a performance in support of the Iraqi government on their standoff with the U.N. in this Feb. 3, 1998 file photo, in a theater in downtown Baghdad. The witnesses to Saddam Hussein's impending execution gathered Friday, Dec. 29, 2006 in Baghdad's fortified Green Zone in final preparation for his hanging, as state television broadcast footage of his regime's atrocities. (AP Photo/Enric Marti, File) Associated Press

Lucy Hughes-Hallett: Helden. Verlossers, verraders, supermensen. Een geschiedenis van heldenverering. Vertaald uit het Engels door Auke Leistra. De Arbeiderspers, 520 blz. € 34,95

Harald Welzer: Daders. Hoe heel normale mensen massamoordenaars worden. Vertaald uit het Duits door Corry van Bree en Carola Kloos. Anthos, 292 blz. € 21,95

Toen vorige week het nieuws van Saddam Husseins executie bekend werd, gingen in Amman enkele honderden Palestijnen de straat op. In hun ogen was hij een van de weinige Arabische leiders op wiens politieke en, vooral, retorische steun ze in hun strijd tegen Israël hadden kunnen rekenen. In Saddambolwerk Tikrit rouwden duizenden sunnitische aanhangers om de leider die hun dominante positie had gewaarborgd in de Iraakse samenleving. Hij was hun held.

Ook in het westen heeft Saddam een heldenstatus gekend – al zijn we dat opmerkelijk snel vergeten. In de jaren tachtig werd de Iraakse president gesteund in zijn oorlog tegen Iran. Saddam vertegenwoordigde het ontwikkelde, geseculariseerde Midden-Oosten, terwijl ayatollah Khomeini stond voor de barbaarse, islamitische revolutie. Westerse leiders liepen de deur plat in Bagdad voor lucratieve olie- en wapencontracten, maar hielden hun mond over de binnenlandse onderdrukking van shi’iten en Koerden. Pas met de inval in Koeweit in 1990 kantelde dit beeld. Saddam was voortaan een schurk. Een dader die honderdduizenden burgers had laten ombrengen en die ter verantwoording moest worden geroepen. De symbolische veroordeling had in 2003 plaats. In Bagdad trokken Amerikaanse troepen onder het oog van de internationale pers een van zijn standbeelden van de sokkel. En afgelopen zaterdag volgde de laatste afrekening aan de galg.

Of heersers helden of daders zijn heeft alles te maken met perceptie. Zo zijn Napoleon, Stalin en Mao de geschiedenisboekjes in gegaan als staatsmannen die hun volkeren opstuwden in de moderniteit, én als heersers die niets- en niemand ontziend hun machtsaspiraties gestalte gaven en tientallen miljoenen doden op hun geweten hebben. De verhouding tussen held en dader is, om het voorzichtig te zeggen, uitgesproken dynamisch. Vanaf de Oudheid zijn grote mannen – inderdaad, overwegend mannen – bezongen en beschreven. De held stond daarbij centraal, voor de dader bestond minder belangstelling. Sinds de ervaring met het totalitarisme in de 20ste eeuw is de aandacht ook bij de duistere kant van heldenverering komen te liggen en verschijnen in toenemende mate analyses over daderschap.

Hoe en waarom iemand als held herinnerd wordt staat uitvoerig beschreven in het kloeke Helden. De Britse kunsthistorica en critica Lucy Hughes-Hallett bundelde portretten van buitengewone mannen uit de westerse geschiedenis zoals Achilles, El Cid, Francis Drake en Garibaldi. Inspiratie voor haar boek ontleende ze aan Thomas Carlyle die in 1841 On Heroes, Hero-Worship and the Heroic in History publiceerde. Voor deze Schotse historicus bestond er ‘geen nobeler gevoel’ dan heldenverering. Ook Hughes-Hallett geeft zich in haar uitgebreide beschrijvende portretten graag over aan de bedwelmende charme van grootse kerels.

Helden spelen volgens haar een essentiële rol in ons leven omdat zij ons inspireren. Ze dienen als voorbeeld. Meestal betreft het non-conformisten en outsiders die geen talent hebben voor ondergeschiktheid. Schoonheid of sex-appeal spelen een rol in de bewondering. De Italiaanse vrijheidsstrijder Garibaldi was een indrukwekkende verschijning met een markante kop. Met name van hun uitzonderlijkheid gaat een erotiserende werking uit. Bovendien zijn ze charismatische persoonlijkheden, bedreven in het symbolische gebaar. Het is overigens niet de voorbeeldfunctie alleen die van iemand een held maakt. Ook onnavolgbaarheid speelt een grote rol. Een held is een held omdat hij uniek is. Deugdzaamheid is geen noodzakelijke voorwaarde, integendeel.

Meer dan Carlyle in zijn vele malen herdrukte boek heeft Hughes-Hallett oog voor de valkuilen van het heldendom. In het vereren van een uitzonderlijke persoon schuilt volgens haar een verraderlijke verleidelijkheid. Dergelijke vormen van verafgoding leiden vaak tot dociel gedrag en ook teleurstelling. Voor de held kan het najagen van het bovenmenselijke maar al te makkelijk leiden tot kritiekloze minachting voor het menselijke. Het concept held plaveit zo de weg voor tirannie; daderschap ligt op de loer. Daarom zijn helden vaak ook schurken. De Engelse kaapvaarder Sir Francis Drake was, naar moderne maatstaven, een terrorist. En de Spaanse veroveraar El Cid een roofzuchtig krijgsheer. Kortom, een held hoeft niet integer te zijn maar moet vooral groot schijnen.

Hoezeer beeldvorming in dit opzicht bepalend is maakt Helden goed duidelijk. De interessantste observaties bewaart Hughes-Hallett voor haar – helaas te korte – afsluitende hoofdstuk. Hierin koppelt ze mateloze heldenverering aan het ontstaan van het 20ste-eeuwse fascisme rond personen als Mussolini, Franco en Hitler. Deze dictators dreven op beeldvorming en gebruikten en misbruikten helden uit de oude doos, zoals Garibaldi, El Cid of Wallenstein als vitrine voor de uitstalling voor hun machtswellustige fantasieën. Hitler vereerde machtspolitici als Bismarck en Frederik de Grote. Hij vond in Wallenstein een belangrijke inspiratiebron omdat deze legeraanvoerder uit de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) als eerste een staatsvorm voorstond waarin alles op oorlog was afgestemd.

Met de fascistische leiders hebben we een extreme vorm van moderne heldenverering te pakken, aangeblazen via nieuwe 20ste-eeuwse propaganda-technieken en media. Heldendom en daderschap zijn hier schijnbaar onontwarbaar in elkaar verstrengeld. Onderzoek naar daderschap, met als vertrekpunt veelal het nazi-regime, heeft de laatste jaren een hoge vlucht genomen. Daders is een sociaal-psychologische analyse door de Duitse hoogleraar psychologie Harald Welzer. Hij laat grote mannen ter zijde en vraagt zich af hoe ogenschijnlijk ‘doodgewone’ mensen zich ontpoppen tot massamoordenaars.

Over deze kwestie is de laatste jaren veel literatuur verschenen. Vertrekpunt is het inmiddels even omstreden als onontkoombare werk van Daniel Goldhagen, Hitler’s willing executioners. Ordinary Germans and the Holocaust (1996). Goldhagen verklaarde de Holocaust en de moordpartijen door politiebataljons uit de antisemitische grondhouding van de Duitsers. Een omstreden want nogal generaliserende these. Een andere, oudere, these luidt dat dergelijke daders psychologisch gestoord waren. Maar uit diverse onderzoeken is gebleken dat deze personen nauwelijks amoreler of sadistischer waren dan de doorsnee burger. Ook beantwoordden hun persoonlijkheidsprofielen evenmin aan de beroemde tekst van Hannah Arendt over de ‘banaliteit van het kwaad’. Ze waren geen gedachtenloze ambtenaren zoals Arendt een van de architecten van de Holocaust, Eichmann, karakteriseerde.

Welzer stelt een alternatieve analyse voor. Hij gaat niet uit van geestesgesteldheid of ideologische indoctrinatie maar van concrete situaties waarin het daderschap zich voordeed. Moordprocessen, van de Holocaust tot de genocides van Cambodja en Rwanda, de slachtpartijen van Mi Lai (in 1968, tijdens de Vietnamoorlog) en Srebrenica, kennen een specifieke, eigen dynamiek. Aanvankelijk zijn er vage aanwijzingen dat tegenstanders moeten worden uitgeschakeld, maar hoe precies en op welke manier is vaak niet duidelijk. Pas in de loop van het proces, via trial and error, professionaliseert het moorden. Daders groeien mee in hun rol: doden wordt routine en werk. Ze verbeteren en corrigeren zichzelf permanent. Essentiële voorwaarde is dat er afstand ontstaat tussen de persoon en de rol die hij vervult (‘roldistantie’). Dit laatste is een van de karakteristieken bij uitstek van onze moderne, geprofessionaliseerde, samenleving. Bovendien spelen de door Welzer geanalyseerde moordpartijen zich veelal af in een ‘sociale microkosmos’, ver verwijderd van de normale maatschappij. Groepsdwang en conformisme zijn andere belangrijke factoren die daderschap verklaren.

Dergelijke vormen van daderschap zijn mogelijk omdat, aldus Welzer, ze plaatsvinden binnen de kaders van schuivende normenstelsels. Als de grenzen van wat wél en niet toelaatbaar is in een maatschappij onder extreme politieke, sociaal-culturele of economische omstandigheden veranderen, heeft zelfs het doden niets immoreels meer. Hoe radicaler die verschuivingen plaatsvinden, hoe sterker de scheiding tussen leden en niet-leden van de gemeenschap. Des te radicaler ook de ‘oplossingen’: van buitensluiting tot deportatie en uitroeiing. Het Derde Rijk toonde al hoe propaganda een efficiënt middel is om zo’n escalatiedynamiek op te roepen, bedreigingsfantasieën te voeden en haatcampagnes aan te wakkeren. Hitler werd als redder van Duitsland geprojecteerd, een verlosser die inspireerde en opriep tot uitsluiting van zogenaamde Duits-vijandige bevolkingsgroepen. Hitlers heldenstatus kweekte ook daderschap.

Dat dergelijke verschuivingen in morele kaders zich in een kort tijdsbestek kunnen voltrekken bleek ook op de killing fields in Cambodja midden jaren zeventig en, recenter , in het voormalige Joegoslavië. Welzer concludeert dat er maar weinig nodig is om van een normaal mens, waar ook ter wereld, een dader te maken. Het vertrekpunt is steeds het individu en diens behoefte aan collectieve geborgenheid, overzicht en structuur. Zo begint de verdeling van de wereld in vriend en vijand, in Über- en Untermensch, in christen en moslim, in shi’iet en sunniet. Daarin schuilt volgens Welzer het grootste potentieel voor daderschap, in ogenschijnlijk beschaafde mensen.

    • Niek Pas