‘Amerika moet steun aan Pakistan herzien’

De Amerikaanse regering heeft zich onvoldoende afgevraagd of de mensenrechten niet te lijden hebben onder militaire steun aan Pakistan, zegt de Amerikaanse denktank Rand Corporation.

Optreden tegen buitenlandse jihadisten en opstandelingen is een smerig karweitje, maar daarmee is niet gezegd dat we mensenrechten schenden. Dat was steevast de reactie die medewerkers van de Pakistaanse veiligheidsinstanties gaven op vragen van de Amerikaanse denktank Rand Corporation, toen die de afgelopen maanden onderzoek deed naar de besteding van Amerikaanse militaire en economische hulp aan Pakistan.

Maar, concludeert de onderzoeksgroep in haar woensdag verschenen rapport Securing tyrants or fostering reform? , „er is weinig bewijs dat het gevoel van verantwoordelijkheid en het respecteren van de mensenrechten door Pakistan de afgelopen vijf jaar zijn verbeterd.” Bovendien „is er weinig bewijs dat de Verenigde Staten veel aandacht hebben besteed aan de gevolgen van hun veiligheidsprogramma’s voor de mensenrechten in Pakistan”. Daarom moeten de VS die programma’s in Pakistan herzien, en onderzoeken wat de gevolgen ervan zijn voor de mensenrechten en democratie.

Na de aanslagen van 11 september 2001, toen president Musharraf zich een onvoorwaardelijke bondgenoot verklaarde in de strijd tegen terreur, verhoogden de VS hun hulp aan Pakistan tot naar schatting een miljard dollar per jaar. Voor een groot deel bedoeld voor het op orde brengen van de veiligheid in de grensregio met Afghanistan, waar verdreven Talibaan-strijders en de top van Al-Qaeda naartoe zouden zijn gevlucht. Daar, in de semi-autonome tribale gebieden van de North-West Frontier Province, zouden zij zich ongestoord kunnen hergroeperen. Washingtons steun was er vooral op gericht om Musharraf en het leger in staat te stellen daar een einde aan te maken.

Dat Musharraf daar tot op heden niet in is geslaagd, is bekend. Osama bin Laden zou zich volgens de meest betrouwbare inschattingen in de tribale gebieden bevinden, en Talibaan-leider Mullah Omar in Quetta, de hoofdstad van de provincie Baluchistan. Mullah Omar zelf houdt in verklaringen tegenover persbureaus vol dat hij zich ondanks de aanwezigheid van een buitenlandse troepenmacht ongestoord in Afghanistan bevindt. Gisteren liet hij via persbureau Reuters weten dat hij Bin Laden sinds 2001 niet meer heeft gezien, maar „bidt voor zijn gezondheid en veiligheid”.

Het Pakistaanse leger maakte de afgelopen jaren bij zijn strijd in de tribale gebieden gebruik van een uit de koloniale tijd stammende wet, de Frontier Control Regulation, die uitgaat van collectieve verantwoordelijkheid. Dat betekent dat straffen als arrestatie, het vernietigen van huizen en het in beslag nemen van bezittingen niet alleen aan daders, maar ook aan stamgenoten en familieleden van wie geen schuld is aangetoond, kunnen worden opgelegd. Het leger paste deze ‘extensive punishment’ veelvuldig toe bij zijn offensieven in Waziristan, in de hoop dat de stammen leden van Al-Qaeda en de Talibaan zouden uitleveren.

De VS hebben geen regelingen getroffen om ervoor te zorgen dat hun hulp niet (indirect) betrokken zou raken bij deze praktijken, stelt de Rand Corporation. Volgens de onderzoekers is de Amerikaanse strategie er uitsluitend op gericht om het leger te versterken en bondgenoot Musharraf (die nog altijd legerleider is) in het zadel te houden. „De offensieven in de tribale gebieden benadrukken de uitruil die de VS in Pakistan hebben gemaakt tussen politiek opportunisme en andere, bredere doelen die zij claimen na te streven, zoals democratie”, concludeert de Rand Corporation. En dat, stelt de onderzoeksgroep, terwijl het Pakistaanse leger en de door het leger geleide inlichtingendienst ISI in het conflict om Kashmir al hadden laten zien het niet nauw te nemen met de mensenrechten. Daar steunen zij islamitische extremisten in hun strijd tegen India (overigens steunen Indiase veiligheidsdiensten van hun kant ook rebellen).

De druk op Pakistan om terroristen uit te schakelen komt in toenemende mate ook uit Afghanistan, waar de Talibaan het afgelopen jaar aan kracht gewonnen hebben. De relatie tussen de twee landen is op een dieptepunt beland, zei de Afghaanse president Karzai gisteren na een gesprek met de Pakistaanse premier Aziz over Musharrafs plan om delen van de grensregio met hekken af te zetten en te bemijnen. Aziz kon Karzai er wederom niet van overtuigen dat Pakistan „zich volledig inzet bij de strijd tegen terreur”. Karzai neemt daarom steeds fermer stelling tegen Pakistan: „Zolang er scholen verbrand worden in Afghanistan [..] heeft het geen zin elkaar te ontmoeten.”

    • Hanneke Chin-A-Fo