Onderlinge ruzie is helemaal niet zo erg

Het gaat niet zo slecht tussen ouders en volwassen kinderen.

Het is wel zo dat een kwart helpt én ruzie maakt, maar dat verslechtert de band niet.

Als er conflicten zijn, gaan die vooral over praktische dingen als hulp in en om het huis. Foto Hollandse Hoogte Nederland, Assen, 23 jan 2002 Stofzuigen in de huiskamer met op de voorgrond in de vensterbank een kat die zich uit de voeten maakt. Huishouden hygiene allergie gezondheid. Huisdieren. foto Harry Cock/ Hollandse Hoogte Cock, Harry / Hollandse Hoogte

Harmonie overheerst tussen volwassen kinderen (tussen 18 en 50 jaar) en hun ouders. Maar een dubbelzinnige relatie – elkaar helpen én onderlinge ruzie – komt ook vaak voor.

Dat blijkt uit Nederlands onderzoek onder volwassen kinderen, gepubliceerd in het novembernummer van de Journal of Marriage and Family.

Klassiek sociologen beschouwen élke menselijke relatie als complex en ambivalent. Waar liefde is, zijn conflict en onvrede niet ver weg. Ook volwassen kinderen en hun ouders ontkomen daar niet aan.

Niettemin, Nederlandse gezinssociologen zijn na analyse van 4.990 volwassen kind-ouderrelaties uit het Netherlands Kinship Panel Study onverwacht positief gestemd; de meeste kind-ouderrelaties in Nederland, 40 procent, behoren tot het harmonieuze koek-en-ei-type, met veel solidariteit en weinig conflict. Van alle kinderen in het onderzoek geeft 90 procent emotionele steun en verleent 30 procent meermalen per week praktische hulp.

Naast de ‘harmonieuze’, zijn er ‘ambivalente’, ‘plichtmatige’, ‘affectieve’ en ‘ontwijkende’ relaties . De onderzoekers, Ruben van Gaalen – zijn proefschrift verschijnt in 2007 – en Pearl Dykstra van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut, vonden bij 29 procent van de volwassen kinderen een ambivalente kind-ouderrelatie. Bij hen gaan solidariteit en conflict wel hand in hand, volgens de klassieke sociologische verwachting. Opvallend is dat het conflict de kwaliteit van de relatie niet eens dramatisch veel slechter maakt. Dit is overigens gemeten naar het oordeel van de kinderen.

Nogal ‘plichtmatig’ in de omgang met het ouderlijk nest is 16 procent van de kinderen. Zij verlenen praktische hulp, geven steun en maken ruzie, maar niet in extreme mate.

De 11 procent met een ‘affectieve’ relatie slaagt erin redelijk veel en goed contact te onderhouden en tegelijkertijd weinig hulp te geven. Zij wonen vaak verder weg dan de gemiddelde kind-ouderafstand van 46 kilometer. De ‘ontwijkenden’, een minimale 4 procent, zien hun ouders weinig en hebben niet zelden een persoonlijk conflict.

Nederlandse generaties leven dus vooral in pais en vree? Waarschijnlijk is de positieve familiesfeer uit het onderzoek wel iets overschat.

Zo bleven buiten de analyse de kinderen die samenwonen met hun ouders en de kinderen die al twaalf maanden of langer geen contact meer met hun ouders hadden.

In de toekomst worden banden tussen generaties belangrijker, voorspelt de Amerikaanse socioloog Vern Bengtson. Kinderen delen door de gestegen levensverwachting meer levenstijd met hun ouders en delen hun ouders met minder broers en zussen. Dat betekent dat er minder ontsnappingsmogelijkheden zijn waar het gaat om solidariteit en conflict. De Nederlandse onderzoekers vermoeden dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de relatie. Wanneer volwassen kinderen dicht bij hun ouders wonen, en weinig andere kinderen de helpende hand kunnen toesteken, liggen hulp en onenigheid in elkaars verlengde.