Liberalisme anno 2007

„Liberalisme dat het sociale karakter van de mens en zijn behoefte aan vrijwillige en vanzelf ontstane verbanden erkent, heeft toekomst.” Zo besluit het hoofdartikel in de laatste nummer van deze krant, zaterdag 30 december 2006. Het is een uitspraak die het karakter van een credo heeft.

Daar is niets mis mee – ook niet wat de inhoud betreft. Integendeel, het is een uitspraak waarmee ook niet-liberalen kunnen instemmen. Zo heeft, om ons tot Nederland te bepalen, Wouter Bos gezegd: „De echte liberalen zijn te vinden bij de PvdA.” Ruim een halve eeuw eerder had de historicus Geyl iets soortgelijks gezegd: „Ik stem PvdA omdat ik liberaal ben.” (Of hij dat tot zijn dood, in 1966, heeft volgehouden, is onbekend.)

Maar ook verder links zijn zulke geluiden te horen. Femke Halsema, politiek leider van GroenLinks, kwam niet lang geleden, na lang nadenken, tot de conclusie dat zij zich aangetrokken voelde tot een progressief liberalisme – waarschijnlijk tot schrik van haar heterogene partij, die niet in de eerste plaats om haar voorliefde voor diep nadenken bekend is.

De kwestie is dat, na de teleurstellingen van socialistische experimenten – of die nu van Labour, Den Uyl of Mitterrand waren – en zeker na het onloochenbare failliet waarop het ‘reële socialisme’ in de Sovjet-Unie en elders was uitgelopen, vele niet-liberalen zo niet de deugden, dan toch de voordelen van het liberalisme, waaraan democratische echtheid niet ontzegd kon worden, zijn gaan inzien.

In zoverre, zij het niet verder, kan gezegd worden dat Francis Fukuyama’s uitspraak uit 1989, dat met de déconfiture van de Sovjet-Unie het liberalisme geen ideologische tegenstander meer had en er in zoverre dus een eind was gekomen aan de geschiedenis als politiek discours, bewaarheid is geworden (waarbij we niet moeten vergeten dat het Amerikaans liberalism niet helemaal hetzelfde is als het Europees-continentale liberalisme: in de ogen van het eerste is het tweede conservatief, maar beide staan en vallen bij hun geloof in de vrijheid van het individu en de rechtsstaat).

Ja, in zoverre kan ook gezegd worden dat het succes van het liberalisme de liberalen zelf in een crisis heeft gestort, zoals wel vaker in de geschiedenis het succes van een onderneming of project geleid heeft tot een crisis erin, soms tot de ondergang ervan. Ook het succes van de Europese integratie, blijkend uit het aantal staten dat er bij betrokken wil worden, heeft tot zo’n crisis geleid, die de kiemen van een ondergang in zich draagt.

In elk geval is de VVD – om weer tot Nederland terug te keren – in een crisis geraakt. De populariteit van Rita Verdonk, door de historicus en kenner van het Nederlandse liberalisme Henk te Velde een ‘volkstribuun’ genoemd – „ze slaat de volksvertegenwoordiging over, wat heel onliberaal is” –, heeft vele liberalen vervreemd van de partij en sommigen zelfs in de armen van de ideologische tegenvoeter, het CDA, gedreven.

Tot welke excessen die crisis kan leiden, werd aangetoond toen de liberalen onlangs de thorbeckiaanse beginselen, waarop zij zich anders altijd beroepen, met de voeten traden: blijven zitten hoewel de Kamer haar afkeuring had uitgesproken over het beleid van een liberale minister en – nog sterker – hoewel zij het – als regeringspartij! – niet eens zijn met een kabinetsbesluit en dus het beginsel van de eenheid van de regering schenden. Thorbecke moest wijken voor gelegenheidsargumenten.

Nu zal de politieke filosoof Gerry van der List wel zeggen dat ook Thorbecke een opportunist was. Dat is immers de teneur van een artikel dat hij in Elsevier van 7 oktober jl. schreef: Thorbecke „hing namelijk een conservatieve filosofie aan”, maar hij onderkende (net als Tocqueville overigens) dat de „tijdgeest” rond 1848 anders wilde. Zo verdedigde hij het algemeen kiesrecht „niet op principiële gronden, maar constateerde slechts dat het onmiskenbaar was dat ‘het beginsel van algemeen stemregt in de Staatsgeschiedenis onzer eeuw ligt’”.

Soortgelijke redenering ontwikkelde een kwarteeuw eerder de liberale voorman mr. H. van Riel in zijn postuum uitgegeven boek Geschiedenis van het Nederlandse liberalisme in de 19de eeuw (1982): „Wie op zijn drieëndertigste of vierendertigste in de grond een wijsgerig conservatief is” – en dat was Thorbecke toen – „verandert wat dat aangaat later niet meer van standpunt.” En: „Thorbecke wist, in zijn binnenste, eigenlijk rechts te zijn.”

Na Thorbeckes dood hadden – aldus Van Riels these – de liberalen zich ontwikkeld tot ‘kathedersocialisten’ – een term die hij niet nader definieert. Van Riel, die een grote invloed had in de toenmalige VVD – hij was Wiegels mentor –, bekende hiermee dus langs een omweg dat hijzelf geen liberaal, maar conservatief was.

Nu moeten we Van Riel niet al te serieus nemen – als iemand een opportunist was, was hij dat wel –, maar tegen iemands conservatisme mag op zichzelf geen bezwaar gemaakt worden, mits hij daar eerlijk en direct voor uitkomt. Bovendien: een goede conservatief houdt zich aan de regels van het democratische en parlementaire spel.

Dat doet de huidige VVD, blijkens haar houding in de crisis van 13 december jl., niet. Het CDA trouwens ook niet, maar dat telt Thorbecke niet onder zijn geestelijke voorvaderen. Aangezien ons staatsbestel nog altijd op Thorbeckes leest geschoeid is, kon de VVD, als zijn erfgenaam, bij uitstek als de behoeder ervan beschouwd worden. Daar is nu de klad in gekomen.

Kortom, het liberalisme mag, al of niet onder deze naam, nog een mooie toekomst tegemoet gaan, voor de VVD geldt het woord van Mattheus 5:13: als het zout zijn kracht verliest, waarmee zal het gezouten worden?

    • J.L. Heldring