‘Ik zet ideeën om in beelden’

Lennert Hillege is een van de meest gevraagde camera-lieden van dit moment.

„Als je iets nieuws wilt vertellen moet je je losmaken van de bekende filmtaal.”

Foto Vincent Mentzel Lennert HILLEGE,filmmaker,cameraman. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam,13 december 2006 Mentzel, Vincent

In de dvd-speler zit Bubble van Steven Soderbergh. Er is een scène waarin de hoofdpersoon de houtbewerkingsfabriek binnengaat om daar zijn schoonmaakwerk te doen. Soderbergh zet vijf of zes stille shots van lege ruimten in de fabriek achter elkaar en dan pas zien we de hoofdpersoon zaagsel scheppen. Daardoor voelt de kijker de eenzaamheid van deze jongen en de onverschilligheid van de omgeving waar hij zijn werk doet.

Ik bekijk de beelden met cameraman Lennert Hillege. Hoe, wil ik weten, brengt de cameraman die dit filmt die omzetting van concreet beeld naar abstracte notie tot stand? „O”, zegt Hillege, „als ik met regisseur Diederik van Rooijen film, hanteren wij altijd de regel dat we van alle belangrijke locaties een paar lege shots draaien. Die kun je bij de montage heel goed gebruiken om gevoel te kweken. Het is net zoiets als twee ruziënde mensen filmen en daarna een shot van de lege kamer tonen. Iedere kijker zal in die kamer de sfeer nog voelen. Dat is de truc.”

De truc. De teleurstelling moet op mijn gezicht te zien zijn, want Hillege sust: „Als je eenmaal door hebt hoe het werkt, is alles toch een truc?”

Lennert Hillege, 28 jaar geleden geboren in Maastricht, is een van de meest gevraagde jonge Nederlandse cameralieden van dit moment. Meest gevraagd betekent dat het nog alle kanten op gaat. Hij is net klaar met een tv-film in de reeks Lola’s, deze week is hij afgereisd naar Polen om locaties voor een horrorfilm te bekijken. Daarna staat een film met regisseur Esther Rots op stapel. „Het hele vage”, noemt hij dat: zestig dagen in een huisje in Zeeland met regisseur, geluidsman en één actrice.

Alles wat zijn pad kruist kan hem interesseren. De horrorfilm door het tot in detail vastgelegde scenario. De film met Esther Rots juist door de intuïtieve aanpak, zoals hij die noemt. Hillege maakt af en toe reclamefilmpjes, vooral met David Lammers of Diederik van Rooijen. Het gaat niet om het geld. De dag voor hij naar Polen zou afreizen wist hij nog niet hoe laat hij zou vertrekken, of ze met de auto of het vliegtuig zouden gaan, en hoeveel zijn salaris zou bedragen. Een contract is er niet. Het gaat allemaal in goed vertrouwen. „Het is een leuk clubje”, is zijn simpele reden om mee te doen. En met leuke clubjes maak je de leukste films.

Hillege studeerde in 2001 af aan de Filmacademie. Een goede lichting was het, met onder meer Tim Oliehoek erbij, die later Vet Hard zou maken. „Een hoopvol jaar, noemden ze het in de krant”, zegt Hillege. „Maar dat is kenmerkend voor de Nederlandse filmwereld. Men is zoekende en elke nieuw teken van talent, geeft weer een sprankje hoop.”

Een van de films waarmee hij afstudeerde, De laatste dag van Alfred Maassen gaf hem de beslissende duw in de richting die hij als cameraman op wil. Intuïtief, poëtisch, hoe je het ook noemt. „De hoek van de auteursfilm.” Vooraf „maanden babbelen” met regisseur David Lammers. „Ik moet de intuïtie van de regisseur overnemen. Op de set is er geen tijd meer om diepgaand van gedachten te wisselen, dus moet ik mij vooraf verplaatsen in de reden waarom hij de film wil maken.”

In die maanden vooraf gaat Hillege flink tekeer tegen het script. „Net zo lang schoppen tot het klopt. Tot de regisseur weet welke keuzes hij wil maken.” Dán kan Hillege pas gaan filmen. „Ik wil de compagnon in zijn wereld worden. Achteraf weten David en ik niet eens meer zeker wie met welk idee is gekomen.”

We doen het andere uiterste in de dvd-speler, The House of Flying Daggers van Zhang Yimou. De scène waarin een geisha in een onbestemd ver verleden een echo-dans doet tussen een haag van trommen. Het is weergaloos; toen de film aan de pers werd getoond op het festival van Venetië, gaven de critici een staande ovatie na afloop van de scène, als bij een aria. Het doet Hillege niet veel. „Het is veel werk, hè”, zegt hij droogjes. „Monnikenwerk. Alles heel precies opstellen, bijna beeldje voor beeldje. Maar technische hoogstandjes zijn niet mijn ultieme uitdaging. Mijn beelden moeten passen in de lijn van een film. Soms moet je de schoonheid van een shot loslaten om het beter in het geheel te passen.”

Vrijwel iedere regisseur die hem benadert om samen te werken, komt met een stapeltje dvd’s aan. Gaan ze samen kijken. Zullen we het zus aanpakken of zo? „Ik laat ook altijd een stuk of wat scènes zien om iets te verduidelijken”, zegt Hillege. „Maar als ik de dvd op die ene scène afspeel, zie ik meestal niet meer wat ik wilde aantonen. Het zit nooit in een scène. Het zit in de opeenvolging, in het ritme.”

Er zijn wel modes in camerawerk, zegt Hillege. Maar als Hillege zulke stijlmiddelen hanteert, dan niet omdat ze in de mode zijn, maar omdat de film erom vraagt. „De filmtaal is nu zo bekend, dat je daar als filmer eigenlijk weer helemaal van los moet komen als je iets nieuws wilt vertellen. Daar discussieer ik over met de regisseur.” Met David Lammers bekeek hij de films van Claire Denis voor ze aan Langer licht begonnen. „Niet om te kopiëren, maar om lef te krijgen. We wilden losbreken van de tijdlijn en van de gewone dramatische manier van vertellen.” Is dat gelukt? „Van de tijdlijn losbreken niet echt”, zegt Hillege. „Van de gebruikelijke vertelmanier wel, geloof ik.”

We kijken naar het begin van Kasper Hauser van Werner Herzog. Een roeiriem spatelt door het water, een in bruin geklede man worstelt met een bootje over het meer. „Ik geloof het meteen”, zegt Hillege. „Het ziet er net armoedig genoeg uit om authentiek over te komen.” Echt en geloofwaardig, dat zijn begrippen die Hillege vaak in de mond neemt. Het is belangrijk om geloofwaardig te filmen, maar daarvoor hoeft het niet altijd echt te zijn. Alleen de cameraman weet wanneer hij iets filmt wat volkomen onecht is, maar wat er toch geloofwaardig uit zal zien in de film.

Bij de laatste film die hij draaide, achter een dijk bij het IJselmeer, raakten ze in de problemen met het zonlicht. Het liep al tegen het eind van de dag en ze moesten nog altijd scènes met ochtendlicht filmen. Iedereen met de handen in het haar. Tot Hillege de hele set omdraaide. De personages gingen aan de andere kant van de dijk staan, keken naar links in plaats van naar rechts en de ochtendzon straalde over de scène. Dat is het werk van de cameraman, zegt Hillege. „De regisseur is helemaal geconcentreerd op de inhoud. Ik ben op de set om de logistiek te bedenken waarmee ik zijn ideeën omzet in beelden.”

Snel oplossingen bedenken is dagelijks werk voor de cameraman. Nederlandse cameralieden zijn er beroemd mee geworden, juist doordat ze hier met beperkte middelen – hasjiebasjie, noemt Hillege dat – moeten werken. Dus als Hillege zegt dat hij „drie keer zo gelukkig” is als hij in het buitenland filmt, omdat „alles er nieuw en fris is” en hij al drie of vier keer ‘nieuwe’ plekjes in Amsterdam heeft moeten ontdekken als cameraman, verwacht je dat hij al met één oog over de grens kijkt.

„Ik heb geen showreel waarmee ik naar het buitenland ga”, zegt hij. „Je moet er ook een beetje geluk mee hebben. Als Langer licht op buitenlandse festivals was gekomen, dan heb je een aanleiding om je daar te laten zien. Als ik nu naar het buitenland zou willen, dan liefst met regisseurs die ik ken, met Esther Rots, Diederik van Rooijen of David Lammers. Daar ben ik gelukkig mee. Met hoe ik met hen dúrf te werken.”

Voorlopig is het buitenland dus hasjiebasjie in Polen. „Met een ouwe safaribus naar unshootable places, schat ik.”

    • Bas Blokker