Happy hour

Ik loop het kantoor uit waar het lieve, zoete kind me met een overdosis tegemoetkomendheid heeft bedwelmd, de stad tegemoet. Ik beschik bij wijze van spreken nu al over mijn papieren. Ik weet nog niet beter. Ik ben legaal en opnieuw mens van top tot teen.

De raven die sinds vanochtend om mijn hoofd cirkelden zijn verdwenen. Weggevaagd, gewist – als door een spons in godenhand. Opnieuw ben ik een mens die bereid is zich door alles en iedereen te laten bedotten.

Als Porto een bitse gouvernante is en Lissabon een vermoeide cocotte, dan is Coimbra een morsige prinses die in slaap is gevallen en al eeuwen wacht op de kus die haar zou moeten wekken en die maar niet wil komen.

Die sfeer wordt versterkt door het namiddaglicht. Ik heb nog maar een paar uur voor het donker wordt. Tot zolang zullen de raven me gegarandeerd vrijaf geven. Ik voel het.

De wereld is knus en warm en, kijk, daar kom ik iemand uit mijn dorp tegen. Daar, langs de blauwbetegelde muur tegenover de markthallen, loopt de postbode van Niemandsdorp. Hij is in gezelschap van een jonge vrouw, twee koppen kleiner. Hij stelt haar aan me voor.

„Mijn nichtje. Ze studeert in Coimbra.”

Ik zie zwart aangezette wenkbrauwen en in haar lippenrouge drijven glimmende goudkorrels. Niet echt een studiehoofd. Of het moest de studie zijn hoe de dag van morgen te halen. Ook geen onbelangrijke studie.

Misschien wel de belangrijkste.

De postbode en zijn nichtje houden elkaar bij de pink vast, een frivoliteit die volmaakt lijkt te passen bij mijn stemming op deze namiddag, licht in het hoofd en voor de komende vijf jaar van alle papieren verzekerd. Zo houden postboden en studentes elkaar vast.

In ons dorp beweegt de man zich voort op een indrukwekkende fiets, met een uniformpet op die hij nog heeft van vroeger. Hij lijkt daar jaren ouder, zo oud dat hij wel een vracht aan nichtjes moet hebben.

Nu lacht hij. Hij laat haar studiepink los en slaat mij op de schouder. Mannen die elkaar in de stad ontmoeten.

Even later zitten we op het terras bij de kerk.

Ik doe of ik de bazuinengelen boven het hoofdportaal bestudeer, maar intussen probeer ik zoveel mogelijk van het nichtje op te vangen. Haar pink heeft een zilverkleurige nagel.

Hoever heeft het leven me gebracht?

Ik koester niet vaak diepe gedachten, maar ineens stormt die vraag op me af. ’t Is de schuld van de hartelijkheid die me ten deel is gevallen. Daar wordt men licht in het hoofd van. En dan komen domme vragen snel.

Hier zit ik, de wereldveroveraar, een eind uit mijn dorp en toch weer in mijn dorp, aan een kenau ontsnapt, door Sneeuwwitje bevrijd en meteen weer in verwarring gebracht door een barbiepop, onbegrijpelijke zinnen uit te wisselen met een postbode. Het leven schiet niet op.

Die nacht droom ik dat ik hoog boven de aarde wandel, als een ploeger met een zeis. Ik heb een wapperende sjaal om en wandel nogal resoluut. Ik probeer het wolkendek te breken.

Gerrit Komrij