EU op zoek naar een verhaal

Met haar groei naar zevenentwintig landen is de Europese Unie het beste voorbeeld van vreedzame ‘regime change’ uit onze tijd, meent

Timothy Garton Ash.

Op Nieuwjaarsdag is het stille wereldrijk weer uitgebreid. Zijn nieuwe kolonies vierden hun inlijving als een bevrijding – wat het voor de meeste individuele Roemenen en Bulgaren ook zal zijn.

Twintig jaar geleden waren ze nog onderdrukte, verpauperde onderdanen van dictaturen. Nu zijn ze burgers van de grootste, meest geïntegreerde gemeenschap van liberale democratieën op de wereld. Ondanks de corruptie, werkloosheid en andere bezwaren van hun huidige, zeer onvolmaakte democratieën, is dit een vooruitgang. Intussen staan aan de rand van het rijk landen in de rij die roepen: ‘Laat ons toe! Lijf ons in, alsjeblieft!’

Voor welk ander rijk in de geschiedenis heeft dat gegolden? Want het stille rijk is ook een vrijwillig rijk, een gemenebest met algemene instemming. Met haar groei naar zevenentwintig landen is de Europese Unie het meest geslaagde voorbeeld van vreedzame ‘regime change’ uit onze tijd. Meer dan de helft van de lidstaten leefde nog niet zo lang geleden onder een dictatuur. Hun opmars naar een liberale democratie is hand in hand gegaan met hun opmars naar het lidmaatschap van dat wat nu de Europese Unie is. Het streven naar vrijheid en de ‘terugkeer naar Europa’ hebben elkaar versterkt. In elke hoek van het continent – en op zijn eilanden in zee – zijn de meeste mensen beter af en vrijer dan een halve eeuw geleden.

In maart aanstaande is het vijftig jaar geleden dat zes West-Europese landen, op het hoogtepunt van de Koude Oorlog, door de ondertekening van het Verdrag van Rome een Europese Economische Gemeenschap oprichtten. Als u een van de ondertekenaars in 1957 had verteld dat Europa er in 2007 uit zou zien als nu, dan zou u waarschijnlijk zijn weggezet als een gestoorde dromer. En als Konrad Adenauer of Paul-Henri Spaak nog onder ons waren, zouden ze zeggen: dan gaan jullie op 25 maart vast een groot feest vieren. Wat we ogenschijnlijk ook gaan doen. Omdat Duitsland de eerste helft van dit jaar het roulerende voorzitterschap van de EU bekleedt, komt er een feest in Berlijn – misschien wel in een deel van de stad dat in 1957 bezet was door de Sovjet-Unie – en een ‘Verklaring van Berlijn’ om de verjaardag te markeren. Maar iedereen weet dat politiek Europa onder de oppervlakte niet in een feeststemming over zichzelf is. De Unie is somber, chagrijnig en onzeker over haar toekomstige koers. De ambitieuze plannen om in de hele EU op straat te dansen zijn naar verluidt verlaten, uit angst voor spot of onverschilligheid. Individueel hebben de meeste Europeanen het beter dan vroeger, maar collectief zijn ze niet blij met hun vrijwillige imperium. Zelden is zo’n geslaagde onderneming zo geplaagd door gebrek aan zelfvertrouwen.

Deels is deze twijfel juist het gevolg van ons succes. Uitbreiding is de historische triomf van de Europese Unie, maar uitbreiding betekent verandering en verandering is altijd ontwrichtend. Op den duur, globaal, zal onze welvaart erdoor toenemen, maar op korte termijn kan het betekenen – of zo worden opgevat – dat Oost-Europese immigranten onze banen innemen en onze voorzieningen belasten. Vandaar de weerstand tegen de ‘Poolse loodgieter’ in Frankrijk en de betreurenswaardige beperkingen voor Roemenen en Bulgaren die in Groot-Brittannië komen werken. Institutionele regelingen die oorspronkelijk bestemd waren voor zes lidstaten, en die nog net functioneerden bij vijftien, worden een ondraaglijke last bij zevenentwintig, maar het beoogde grondwetsverdrag is in Frankrijk en Nederland verworpen, deels als reactie op de vermeende gevolgen van uitbreiding.

De kandidatuur van Turkije roept de vrees op voor een eindeloze uitbreiding en een verlies van culturele samenhang. De vraagstukken inzake immigratie, misdaad, terrorisme en de integratie van moslims in de Europese maatschappijen worden door de rioolpers en populistische politici door elkaar geroerd.

De uitdaging van de uitbreiding komt op een moment dat de goedkope concurrentie van de nieuwe economische reuzen in Azië zwaar drukt op de futloze Europese economieën, die zich veel te traag hervormen. De economisch geavanceerdere, zeg maar sociaal-democratische maatschappijen van West- en Noord-Europa zijn gewend geraakt aan een historisch ongewone combinatie van een gestage groei in koopkracht en een hoog niveau van de verzorgingsstaat. Met een vergrijzende bevolking en de concurrentie uit Azië is dit moeilijk vol te houden.

Verder is er nog de dubbele noodzaak om onze energievoorziening veilig te stellen – die momenteel afhankelijk is van autoritaire regimes in Rusland, Centraal-Azië en het Midden-Oosten – en om meer doen tegen de opwarming van de aarde door onze uitstoot van kooldioxide te verminderen. Dit zijn serieuze problemen en de enige realistische hoop die we de komende zes maanden van het Duitse voorzitterschap mogen hebben is dat het de aanzet geeft tot een nieuw besef dat Europa in staat is daarvoor praktische oplossingen te vinden.

De uitvoering zal dan moeten volgen onder het Portugese en, jawel, Sloveense voorzitterschap van de EU, en de beoogde oplossingen zullen de actieve steun moeten verwerven van een nieuwe Franse president en van de nieuwe Britse premier, die vrijwel zeker Gordon Brown zal zijn.

Maar los van het beleid in specifieke gevallen rest de kwestie van het algemene verhaal dat Europa wil vertellen. Alles wat de Europese Gemeenschap tussen eind jaren vijftig en begin jaren negentig heeft gedaan, maakte deel uit van een groter historisch verhaal. Natuurlijk hadden de afzonderlijke landen hun eigen, verschillende verhaal over hun plaats in Europa en de plaats van Europa voor henzelf, maar er was voldoende gemeenschappelijk terrein bij twee generaties politieke leiders die waren gevormd door de herinnering aan de oorlog. Dat is voorbij. Een doeltreffend politiek verhaal verbindt een (selectieve) geschiedenis van ons verleden met een bezielende visie op onze toekomst. Daaraan ontbreekt het in Europa.

Voor de viering van de vijftigste verjaardag hebben we een logo, ontworpen door een Poolse student. Het luidt, in een allegaartje van letters en tekens uit verschillende Europese landen (let op de umlaut, het accent aigu en de ®): ‘Tögethé® sinds 1957’. Heel lief, maar er zijn nu al bezwaren dat het woord ‘together’ Engels is en niet bijvoorbeeld Frans, dat de ratjetoe van het ontwerp zelf het tegendeel van ‘together’ is en dat elke Pool toch zou moeten weten dat we helemaal niet sinds 1957 together – of zelfs tögethé® – zijn, want toen lag Polen, samen met de helft van Europa, nog achter het IJzeren Gordijn. In werkelijkheid zijn we met ons zevenentwintigen pas together sinds 2007. Terug naar de tekentafel dus.

De Italiaanse schrijver Luigi Pirandello heeft een stuk geschreven met de gedenkwaardige titel ‘Zeven karakters op zoek naar een auteur’. De huidige Europese Unie bestaat uit zevenentwintig landen op zoek naar een verhaal.

Timothy Garton Ash is hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Oxford.

    • Timothy Garton Ash