ETA terug bij af

Met de bomaanslag van afgelopen weekeinde op de parkeergarage van het vliegveld van Madrid heeft de Baskische afscheidingsbeweging ETA de hoop op een definitief einde aan de terreur de grond in geboord. Twee slachtoffers verdwenen onder het puin, de ravage was enorm. Zo mogelijk nog groter zijn de teleurstelling en de woede die onder de Spanjaarden heersen nu de kansen op voortzetting van het ‘vredesproces’ verkeken lijken. De schuldige is zonder voorbehoud de ETA, een anachronistische terreurorganisatie die op haar laatste benen loopt en geen enkele rechtvaardiging kent. De term ‘vredesproces’ is dan ook in zoverre misleidend omdat er geen sprake is van een oorlog tussen twee min of meer gelijkwaardige partijen, maar tussen een democratische rechtsstaat en een beweging die meent met terreur haar Groot-Baskische idee te kunnen doorzetten.

Of binnen de ETA verdeeldheid bestaat over de vraag of het geweld gestaakt moet worden of niet, is irrelevant. De afscheidingsbeweging, inclusief haar politieke achterban, heeft als vanouds de rijen gesloten en wijst met de beschuldigende vinger naar de Spaanse regering. Dat een woordvoerder van de verboden Batasuna-partij daarbij zijn medeleven uitsprak aan de families van de slachtoffers is kenmerkend voor de perverse logica die nog altijd in ETA-kringen heerst.

De Spaanse premier Zapatero kan worden verweten dat hij ernstige inschattingsfouten heeft gemaakt over de statuur van zijn gesprekspartners en de strategische aanpak van het vredesproces. Het gezichtsverlies dat hij nu lijdt, zal hem bij de volgende verkiezingen parten spelen. Maar het politieke verwijt dat iedere dialoog met de ETA op voorhand had moeten worden afgewezen, is onterecht. Zapatero heeft van meet af aan de voorwaarden voor gesprekken met de ETA duidelijk vastgesteld: stopzetting van het geweld en geen concessies aan de democratische rechtsstaat. Deze grondregels zijn niet geschonden. Wel is de regering te blameren voor haar slappe optreden tegen oplaaiend straatgeweld en een overval op een wapenfabriek.

Zoals ook het overleg van de Britse en Ierse regeringen met de IRA aantoont, is het voor een duurzame eliminatie van terreur noodzakelijk om gesprekken met de tegenstander gaande te houden. Radicale afwijzing hiervan is onpragmatisch en uiteindelijk contraproductief. De uitlatingen van de conservatieve oppositieleider Rajoy dat Zapatero met zijn initiatief verraad pleegde „aan de doden van de ETA” zijn hypocriet. Onder premier Aznar, een conservatief, werd in 1999 ook overleg met de ETA gevoerd. Hij kreeg toen steun van de linkse oppositie.

Het proces dat een einde moet maken aan de ETA ligt in duigen. Zapatero zal in het parlement verantwoording moeten afleggen over de mislukking. Nieuw overleg is op zijn vroegst pas na de verkiezingen van volgend jaar mogelijk. Het zal duidelijk zijn dat de ETA nieuwe gesprekspartners moet aanwijzen. Die van nu liegen over het stoppen van het geweld, of hebben hun achterban niet in de hand. Spaanse politici zullen eenheid moeten tonen. Terreur is een staatszaak en geen inzet voor partijpolitiek gewin.