Echt wild worden deze orang-oetans nooit meer

Het WNF hoopt binnenkort Indonesië, Maleisië en Brunei zover te krijgen om het hart van Borneo natuurgebied te maken. Een overvol opvangcentrum voor orang-oetans zou daar dan apen kunnen uitzetten.

Een orang-oetan is de onschuldige variant op een mens, een ideaal beeld van vertedering. Hij is ook de meest tastbare verbinding tussen de mens en de wildernis – een aantal orang-oetans dat komend jaar waarschijnlijk vanuit het reservaat hier wordt teruggebracht naar het oerwoud, heeft bij Lone Nielsen thuis nog als baby rondgelopen met een pamper aan.

De orang-oetan zit echter ook in de hoek waar de klappen vallen: op Borneo. Borneo is praktisch de enige plek ter wereld waar de mensaap nog voorkomt, maar volgens Lone Nielsen, die het grote opvang- en rehabilitatiecentrum Nyaru Menteng in Centraal-Kalimantan leidt, loopt hun aantal snel terug: „Twee jaar geleden nog 47.000, nu schatten we niet meer dan 35.000.” De oorzaak is zoals bij alle diersoorten in de tropen een snel krimpend oerwoud. Borneo is groot genoeg – zeventien keer Nederland – maar de opmars van palmolieplantages is groter. Tel daarbij de jaarlijkse bos- en veenbranden plus de illegale handel in orangoetans en de dramatische reductie is verklaard.

Lone Nielsen is 43 en doet dit nu zeven jaar. Ze komt uit Denemarken en was ooit stewardess, maar nu zorgt ze met 150 lokale medewerkers voor bijna 600 orang-oetans in een afgelegen gebied van Centraal-Kalimantan. In haar eigen huis slapen ‘s nachts de jongste aapjes. Grote exemplaren komen meestal gewond binnen – planters meppen ze met hun lange messen weg, wanneer ze een bedreiging vormen, dat wil zeggen als ze de palmvruchten opvreten. Baby-orang-oetans kunnen ze vaak komen halen, wanneer de moeder is afgemaakt. Dan belt iemand vanaf een plantage.

Dit centrum is een van de initiatieven van de Nederlander Willie Smits, die al jaren in Indonesië woont en met geld van een stichting de zaak ooit heeft opgezet.

Het opvangcentrum heeft een peuterklas met meer dan 150 kleintjes. Baby-sitters – dat staat ook op hun T-shirt – brengen met vier à vijf aapjes de dag door, knuffelen en spelen alsof het baby’s zijn. Als ze groter zijn gaan ze naar een van de drie eilanden in de buurt die het centrum heeft gehuurd – het is jungle, moerasgebied met hoge bomen. Op vaste plekken voedert personeel de apen tweemaal daags bij, want het is er te klein voor de apen om zichzelf van voldoende voedsel te voorzien. Bovendien, ze zijn maar half wild. Lore Nielsen: „Echt wild worden ze nooit meer, ik gok wat dat betreft op hun volgende generatie.”

Half wild inderdaad: bij het voeren deze middag springt er een in het bootje van de verzorgers en eigent zich het vruchtvoer toe. De verzorgers duiken van de weeromstuit het rivierwater in, want een orang-oetan kan je, overigens zonder kwade bedoelingen, en passant een paar botten breken.

Binnenkort hoopt het Wereldnatuurfonds een geweldig diplomatiek succes te boeken, wanneer ministers van Maleisië, Indonesië en Brunei hun handtekening zetten onder wat heet The Heart of Borneo. Het is een belofte om het hele hartgebied van Borneo aan de natuur te laten. Daarna wil het orang-oetancentrum daar beginnen met het uitzetten van een aantal volwassen dieren. Als dat lukt, zou het de eerste rehabilitatie zijn sinds de centra zijn begonnen.

Soms lijkt het alsof de mensen in Indonesië dol zijn op orang-oetans. Neem die scène op het vliegveld van Jakarta twee maanden geleden. De vrouw van de president, Ani Yudhoyono, staat er en er zijn spandoeken met teksten als ‘welkom thuis’. Met een speciaal C-130 militair vliegtuig landen 48 orang-oetans uit Thailand. Ze waren twee jaar geleden ontdekt als kickboksende apen in het Safari Circus van Bangkok en bleken uit Kalimantan te zijn gesmokkeld. „Een groot moment”, zei mevrouw Ani Yudhoyono over de terugkeer, en zo brachten de televisiestations het ook.

De werkelijkheid is echter een stuk gecompliceerder. Een baby-orang-oetan brengt voor de handel twintig tot veertig euro op. Om een baby te vangen moet de moeder worden gedood, anders is er geen schijn van kans. Eenmaal in Jakarta is zo’n baby-aap al 600 euro waard. Wie het dier vervolgens in de Verenigde Staten, Europa of China wil kopen, is al gauw 25.000 euro kwijt. Illegale handel in dieren zet in Indonesië vermoedelijk meer geld om dan handel in drugs. Sommige mensen zijn dol op een baby-orang-oetan thuis.

De wet verbiedt het, maar ach, de wet. Bij de ingang van het apencentrum ligt een prachtig luipaard in een kooi. De wet verbiedt dat ook, maar het was de hobby van de vorige gouverneur van CentraalKalimantan. De huidige heeft andere hobby’s, dus nu mag Nielsen een oplossing bedenken.

Het hele centrum van Nyaru Menteng kost per jaar zo’n 650.000 euro. Dat is inclusief personeel, voedsel, verblijfsruimtes, veterinaire kliniek. Dat geld kwam altijd van een stichting, maar die raakt krap bij kas. De Indonesische overheid betaalt niet mee. Nielsen: „Als het aan de autoriteiten hier ligt zouden we ook nog geld moeten stoppen in allerlei werkgelegenheidsprojecten. Ze vinden dat ze nu te weinig aan ons hebben. De orang-oetans zien ze toch een beetje meer als ons dan als hun probleem.”

En als de echte rehabilitatie naar het Hart van Borneo doorgaat, wordt het helemaal duur. Zo’n 4.500 euro per aap – dat is minstens zeven jaarsalarissen van een lokale medewerker. Voor dat geld moet medisch worden gecontroleerd, gevlogen, moeten chips worden ingeplant tegen vroegtijdige zwangerschap, gecontroleerd worden of de beesten het eerste jaar overleven, etcetera.

Wordt dat extra geld ophalen in het Westen? Nielsen: „Ik ben bang van wel, maar we zijn er niet zo goed in en hebben ook pech gehad. Laatst wilde filmster Julia Roberts iets voor ons doen met de apen. Zag er fantastisch uit op televisie.” De filmster haalde twee miljoen dollar op. Nielsen: “Alleen hebben wij die van haar nooit meer gekregen.”

Bekijk de website van de stichting op: www.savetheorangutan.co.uk

    • Ben Knapen