Anti-kunst op de loop voor het establishment

De ‘Situationistische Internationale’ (SI) wilde de kunstwereld ontregelen.

Oprichter Guy Debord had deze tentoonstelling waarschijnlijk geboycot.

Asger Jorn, Vive la révolution pasioné de l’intelligence creative, 1968

Iedereen weet van de studentenrellen van mei 1968. Niet iedereen weet dat hier een militante culturele beweging bij betrokken was: de Situationistische Internationale (SI). Mei 1968 was een triomf voor de SI, die al jaren pleitte voor cultureel radicalisme en ontregeling van de maatschappij. Na een telegram aan Peking en Moskou dat de revolutie pas klaar zou zijn als de laatste bureaucraat was opgehangen aan de darmen van de laatste kapitalist, verspreidde het studentenoproer zich over Europa. Dit alles tot grote vreugde van Guy Debord, een geweldminnende filosoof die op bijna sektarische wijze vijftien jaar de activistische SI aanstuurde. Had hij nog geleefd, dan zou hij de situationistische overzichtstentoonstelling nu in het Centraal Museum ongetwijfeld boycotten.

Toen een journalist Debord ooit tijdens een persconferentie vroeg „Wat is het Situationisme?”, antwoordde Debord: „We zijn hier niet gekomen om kutvragen te beantwoorden” en beëindigde de bijeenkomst. De door hem gehate spektakelmaatschappij werd gevormd door rolclichés uit de reclame, politieke ideologieën, kritieken en vooral media. Deze waren er volgens hem samen verantwoordelijk voor dat mensen toeschouwers van hun eigen leven waren geworden. Want, zo zei hij, met het spektakel dat ze zagen in de media compenseerden ze de verveling in hun eigen leven. Debord pleitte voor een nieuwe situatie, waarin consumenten ontwaken en hun eigen leven gaan scheppen. Tot zijn zelfmoord in 1994 bleef hij op de loop voor het establishment, uit angst zelf door de media te worden opgenomen in het spektakel.

Debord was Fransman, maar het is niet vreemd dat deze reizende tentoonstelling in Nederland begint. Een van de Nederlandse SI-leden, Constant, werkte voor zijn kunstproject Nieuw Babylon nauw samen met Debord. Het Centraal Museum wijdt er een hele zaal aan. In deze labyrintische stad kon de homo ludens, de spelende mens, zelf zijn pad bepalen. Nieuw Babylon is ondenkbaar zonder de achtergrond van het Amsterdamse verzet tegen de aanleg van de metro en de behuizingsmachine van de Bijlmer. Zelf organiseerde Debord dérives: dwaaltochten waarin mensen zich lieten leiden door gevoel en toeval, en niet door planologen.

Uiteindelijk royeerde Debord Constant en de meeste andere leden. Kunstenaars waren verdacht: ook kunst was deel van het systeem, het spektakel. Toch hangen in Utrecht Debords eigen tekstschilderijen, zoals het Dépassement de l’Art, dat de dood van de kunst aankondigde en zelf een bomaanslag op het Deense SI-hoofdkwartier overleefde. Situationistische kunst bestaat niet, zei Debord, alleen situationistische middelen om de spektakelmaatschappij te citeren en te verdraaien. Situationisten tekenden op bestaande stripverhalen en pinupfoto’s tekstballonnen met revolutionaire teksten, en Asger Jorn, al vrij vroeg geroyeerd, schilderde oude schilderijen over. Doel: de illusoire eenheid van het spektakel verbreken.

In 1972 hief Debord de SI op: de nostalgie naar 1968 maakte dat het vanzelf werd opgeslorpt door de spektakelmaatschappij. En al valt het situationisme door zijn wijdlopige ideeënrijkdom niet te exposeren, toch is de tentoonstelling een aanrader. Als onnavolgbare horror vacui, de angst voor het lege, van schilderijen, slogans (Ne travaillez jamais!), kroegfoto’s, pamfletten en actieposters geeft de expo inzicht in zowat het enige isme dat de vorige eeuw overleefde.

Want steeds meer kunstenaars herkennen het ‘getto van de kunst’ waarvoor Debord waarschuwde: een reservaat waar alle ironie is toegestaan maar dat de buitenwereld niet beroert. Kunstenaars van nu willen zich hieruit bevrijden via een revival van dérives, Adbusting (reclameposters bekladden), stickeracties en guerrillakunst. Of ze trekken zich juist terug – onzichtbaarheid is de enige manier om te voorkomen dat het spektakel je ontdekt en inlijft. Want zoals voorloper Dada mainstream werd en de verwante No-Logobeweging een merk, is ook het Situationisme door het spektakel ontdekt. Zo’n tumultueuze beweging, met mooie kunst, dat zien we graag in musea en pers. Avant-garde wordt altijd gevestigde orde en Debords angsten waren terecht. Ook deze recensie is deel van de spektakelmaatschappij: als je deze krant uit hebt, voel je je deel van een spannende wereld, maar zelf ben je niet verder gekomen dan je keukentafel.

IN GIRUM IMUS NOCTE ET CONSUMIMUR IGNI. T/m 11 maart in het Centraal Museum, Nicolaaskerkhof 10, Utrecht. www.centraalmuseum.nl