Wederwoord

Tekening bij Wederwoord

Helemaal weg zijn de kerstresten nog niet. Deze herinnering aan Derde Kerstdag bijvoorbeeld. In een poging om even in contact te komen met de echte wereld, na twee dagen kerstsfeer, inclusief familiebezoek, diners en de kersttoespraak van Hare Majesteit de Koningin over vrijheid van meningsuiting en „het recht op beledigen bestaat niet”, besluit ik op de ochtend van Derde Kerstdag een krant te gaan kopen.

Dat moet op het station van Culemborg, want vanwege familiebezoek ben ik in De Betuwe. De stationsrestauratie, de krantenkiosk en het kaartjesloket zijn er opgeheven en samen in één winkeltje gepropt in het verder leegstaande Culemborgse stationsgebouw. Je kunt daar dus koffie, kaartjes en kranten kopen.

Gelukkig is de stationswinkel open. Er staat een vrouw achter de kassa, de koffiejuffrouw die ook retourtjes verkoopt. Verder is het leeg. Elf uur ’s ochtends.

Net als ik rustig de krantenkoppen bekijk, hoor ik achter me, in de gang naar de perrons, rennende voetstappen en een keiharde kreet: „Kankerhoerr!” Mijn contact met de wereld is volledig hersteld. Ik kijk om en zie nog net een paar jochies rennen. Ik loop met een krant naar de kassa, en de vrouw erachter zegt geïrriteerd: ,,Dat is nu de jeugd van Culemborg. Ze doen het wel vaker. Ze hebben geen respect.”

Dan pas begrijp ik dat de jongens háár uitscholden voor kankerhoer. Ik reken af en wil mijn kerstcocon weer ingaan, als een paar van de jongens die net voorbij holden de winkel binnenkomen. Ze zijn van Marokkaanse afkomst, zo te zien. De vrouw achter de kassa zegt dat ze niet zo aangesproken wil worden. De jongens kijken haar stuurs aan. „Ik was het niet. Je hebt toch een camera hier, kijk dan zelf na”, zegt een van hen. Ze willen niet op het gedrag van hun maten aangesproken worden.

De vrouw verkoopt hun wel een kaartje, maar ze blijft erover doorgaan, dat ze zo niet behandeld wil worden. „Als je respect wilt, moet je de mensen ook met respect behandelen”, zegt ze. De jongens reageren beledigd, en er komt een rare dreigende sfeer in het winkeltje te hangen, met dat handjevol opgeschoten jongens, sommigen een kop groter dan de winkeljuffrouw, die haar bozig en verongelijkt aankijken.

Ik blijf vanwege de vrede op aarde maar even in de winkel rondhangen, voor je weet maar nooit. De kersttoespraakretoriek van de koningin, met zinsnedes als „Elk woord moet bedacht zijn op een wederwoord”, wordt opeens heel concreet. En de stationskoffiejuffrouw vervult een heldenrol. Ze blijft zeer beheerst, maar ze vecht wel. Met woorden. Zij is de echte koningin van het vrije woord. En ze discrimineert niet, ze doet niet aan wij/zij-denken. Als de jongens weg zijn, herhaalt ze: „Dat is nou de jeugd van Culemborg.”