Veel plezier met de pijn

Zo onversneden gruwelijk als in de horrorreeks ‘Saw’ zie je het niet zo vaak. Toch blijkt het publiek massaal toe te stromen. Het sadisme heeft de stap van marge naar mainstream gemaakt.

Saw III scene uit de film Saw III FOTO: Independent Films

Mogen we vaststellen dat sadisme het makkelijkst te slechten taboe in de cinema is gebleken? Het succes van de Saw-reeks, waarvan deze week deel drie in Nederland uitkomt, bewijst dat een massa-publiek bereid is te betalen om de gemeenste gruwelen op de meest expliciete manier te mogen zien. In het eerste weekend in de Verenigde Staten haalde Saw III ruim 33 miljoen dollar op aan de kassa van de bioscopen.

Zelfs de Amerikaanse filmkeuring lijkt de strijdbijl tegen de sadistische spelletjes van terminale patiënt Jigsaw te hebben begraven. Saw III kreeg een R-rating (onder de 17 jaar alleen met volwassen begeleiding) in plaats van NC-17 (alleen voor 17 jaar en ouder). Naar verluidt moest de producent er zeven keer voor terug naar de commissie, maar het is dus gelukt om een kinderpubliek te bereiken met een film waarin iemand met een tegel zijn eigen voet afbeukt om zich te bevrijden, waarin een tweede daartoe zijn in kettingen vastgeklonken lichaam compleet uiteenrijt, plus nog tal van andere verminkingen.

Met Saw heeft het sadisme de weg van marge naar mainstream afgelegd. Het beginpunt mogen we markeren bij Un chien Andalou (1929), toen Luis Buñuel en Salvador Dali een scheermes filmden dat door het oog van een vrouw sneed. Het grote verschil met Saw zit de reden om met een scheermes in de weer te gaan. Buñuel zelf zei in 1947: „Het doel van de film is bij de toeschouwer instinctieve reacties van afkeer en aantrekking uit te lokken.” Buñuel was een van de grootste regisseurs uit de filmgeschiedenis, maar hij bevond zich in de marge van het grote doek, net als seks, politieke radicaliteit en hallucinaties. Alleen de slasher is sindsdien uit zijn hoekje gekomen.

Het is misschien te veel eer om dat helemaal aan Quentin Tarantino toe te schrijven – hij leende veel van Aziatische gruwelijke films – maar feit is dat zijn Reservoir Dogs (1992) en Pulp Fiction (1994) zowel een elitair als een massapubliek behaagden. De critici bestempelden het afsnijden van een oor in Reservoir Dogs als Nouvelle Violence, het grote publiek maakte het niet uit hoe je het noemde, als het maar bloedde. Natuurlijk was er altijd al een publiek voor gory slasher-films (hak-en snijfilms met veel bloed), maar dat zat in een paar zaaltjes bij elkaar op festivals als The Weekend of Terror in Amsterdam en brulde gezellig mee met de slachtoffers en daders op het doek. Er waren ook films die ineens een groot publiek vonden, zoals The Texas Chainsaw Massacre (1974), maar dat waren uitzonderingen.

In de jaren negentig werden ze mainstream. Eerst werd het slashergenre nog verzacht door Wes Craven-achtige humor, knipogen naar het publiek dat lekker komt griezelen. In de Saw-films is het van een dodelijke ernst. Je kunt er weinig anders in ontdekken dan een bevrediging van puur sadisme. In de 21ste eeuw heeft het sadisme geen excuus meer nodig om salonfähig te zijn.