Sprakeloos

Toen ik terugkwam in de woonkamer, zat hij er opeens: oom L. Hij zat te praten met mijn vrouw en een vriendin. We waren in het huis van vrienden in Overijssel, en oom L. was onverwacht langsgekomen.

Hij was een gedistingeerde man om te zien. Klassiek gekleed, relatief lang grijs haar, een zegelring. Oom L. had zijn leven besteed aan het beheren van het familiekapitaal, hoorde ik later. Hij kwam uit een geslacht van Limburgse fabrikanten en woonde tegenwoordig in Frankrijk.

Oom L. hoorde zichzelf graag praten, dat was duidelijk. Hij vertelde over de gezondheidszorg in Frankrijk en hoe hij het Nederlandse nieuws bijhield door onder meer de webeditie van de NRC te lezen.

Maar die krant was in kwaliteit achteruit gehold, vond oom L. Nou hoor ik dat wel vaker, en ik kan nooit nalaten om te vragen waar dat dan aan ligt. Wat is er dan precies zoveel slechter geworden?

De afgelopen jaren heb ik hier al veel verschillende antwoorden op gekregen. De NRC zou te links geworden zijn, te veel aandacht besteden aan trivia, en wel degelijk feiten en opinies vermengen.

Maar oom L. was een andere mening toegedaan. Hij begon met een omtrekkende beweging. Het was vijftien jaar geleden al minder geworden, zei hij, sinds een bepaalde correspondent uit Amerika was teruggekeerd. Ik zei dat ik het verband niet snapte.

Nu kwam L. echt ter zake. ,,Ach, het is niks meer met de NRC sinds die krant in joodse handen is.’’

Ik dacht even dat ik het niet goed had verstaan. Maar nee, hij had het toch echt gezegd. In joodse handen. Hij had het zelfs zonder blikken of blozen gezegd, volkomen overtuigd van zijn gelijk.

,,Pas je op,’’ zei onze gastvrouw, terwijl ze zijdelings naar mij keek, ,,want er zijn joden onder ons.’’ Ze bedoelde het absoluut niet kwaad, en ik was blij dat ze íets zei, maar toch vond ik het ongelukkig klinken.

,,Bij mijn weten is de NRC onlangs overgegaan in de handen van Britse investeerders’’, zei ik na een kleine pauze.

Dit wuifde oom L. weg met een bewering die hij niet voltooide, namelijk dat toch wel algemeen bekend was dat álle media in handen van de joden waren.

Er viel een pijnlijke stilte, die moeiteloos werd opgevuld door L., die doorkakelde over internationaal nieuws, over The Herald Tribune – ik weet niet meer goed wat hij allemaal zei, want ik zag inmiddels rode vlekken voor mijn ogen.

Wat kon ik doen? Ooit heb ik mij voorgenomen racisme en antisemitisme nóóit te laten passeren. Maar ik was te gast bij vrienden, in andermans huis, met andermans oom. Het liefst had ik de man bestookt met vragen. Zoals: hoe denkt een intelligent man als u dat zoiets er in de praktijk uitziet, een krant in joodse handen? Zit er dan ergens op de redactie een jood die alle stukken moet goedkeuren?

Maar zo’n gesprek zou volledig uit de hand kunnen lopen. Willen aanvallen maar je geremd voelen door je goede fatsoen – het had het effect alsof iemand me een schop in mijn maag had gegeven. Niemand wist hoe hij moest reageren, ik stelde nog een paar halfbakken vragen en verliet vervolgens de kamer. Een paar minuten later vertrok oom L.

Hoewel woorden niet alles zijn, beschouw ik mijzelf als een man van woorden, gebakken aan de taal. Maar ditmaal was ik, tot mijn eigen frustratie, sprakeloos. Althans: wat ik écht had willen zeggen was blijven steken in ongepast fatsoen.

Ewoud Sanders

Reacties via www.nrc.nl/woordhoek

    • Ewoud Sanders