Snaai, steel en bewonder

Mijn vader was gek op Shirley Bassey, de zwarte zangeres uit Wales, die vooral bekend werd met haar titelsongs van James Bond-films. Uit onze nieuwe stereo van destijds schalde Bassey dan ook met grote regelmaat door het huis.

Kent de huidige basisschoolleerling de inmiddels geridderde Dame Shirley Bassey ook? Waarschijnlijk wel. Ze wordt met gretigheid gesampled, onder meer vorig jaar, in Diamonds from Sierra Leone van de rapper Kanye West, waarin haar lied voor de Bondfilm Diamonds are forever werd gebruikt. Een boze Bassey wilde daarop geld zien, want ze was naar eigen zeggen niet eens voor toestemming benaderd.

Samples zijn niet meer weg te denken uit de popmuziek – met dank aan de rap en de hiphop. Dat is een kwestie van techniek en muziekcultuur. Sinds de opkomst van de eerst Akai-samplers is het eenvoudiger om ‘monsters’ te nemen van bestaande songs, beats of flarden muziek en die in te voegen in een nieuwe compositie. Het componeren zelf is ook veranderd. Computerprogramma’s als Logic, Reason of Ableton dwingen de gebruiker bijna om modulair te componeren: een song wordt niet meer van te voren verzonnen en daarna opgenomen. Componeren, verzinnen en samenstellen lopen dwars door elkaar heen, en songs bestaan uit verschillende brokjes, loops en samples die in wisselende configuraties worden gemengd en achter elkaar gezet.

Dat heeft grote gevolgen voor de rechten op de muziek en zelfs op flarden van klanken. Eenduidige regels zijn er niet. Kleine artiesten stelen en hopen dat ze niet worden gesnapt, grote artiesten nemen liever het zekere voor het onzekere; Madonna heeft lang moeten zeuren bij Abba’s Björn en Benny voor ze toestemming kreeg om de groove van Gimme, Gimme, Gimme te mogen gebruiken voor haar recente hit Hung Up.

In de huidige muziekcultuur rust al lang geen taboe meer op het hergebruik van andermans vondsten. Is dat onafwendbaar? Is alles al een keer gedaan, kan er niets nieuws meer worden verzonnen? Ik denk het niet.

Muziek is nooit op, het laat zich oneindig samenstellen. De kwestie is er meer een van inspiratie. Voor de hedendaagse componisten van popmuziek is hun eigen jeugd het referentiepunt. En dus woelen ze de muziek van die tijd om, op zoek naar een vonk.

In de jaren zestig en zeventig deden muzikanten dat evengoed. Maar het referentiepunt uit hun jeugd was de populaire klassieke muziek waarmee zij opgroeiden. In de popmuziek van de jaren zestig en zeventig duiken klassieke componisten uitbundig op, en wie goed luistert hoort er steeds meer: Grieg, Mozart, Beethoven, Bach, Chopin, en zelfs Moessorgsky bij de symfonische rock van Emerson Lake & Palmer. Een van de meest flagrante voorbeelden is de Rachmaninov-aanranding All by myself van Eric Carmen uit 1976 – die trouwens zes jaar later weer zou worden gecovered door de recentelijk zo onheus besampelde Dame Shirley Bassey. Het is dat in de eerste decennia van de popmuziek het sampelen nog niet was doorgebroken, maar voor de rest heeft dit lenen van de klassieken er toch behoorlijk veel van weg. Dat had onlangs nog een staartje: de voormalige organist van de band Procol Harum, Matthew Fisher, kreeg vorige week van de rechter gelijk toen hij bijna veertig jaar na dato zijn deel van de rechten claimde van de monsterhit A Whiter Shade of Pale uit 1967. Fisher verzon het het leitmotif op zijn Hammond-orgel, en ziet dat nu graag gehonoreerd. Maar iedereen kan horen– en dat speelde uiteraard ook tijdens de rechtszaak zelf – dat het intro weer leunt op Bach’s Air, dat het jongetje Fisher op orgelles ongetwijfeld heeft moeten leren.

Mentaal gesampeld dus, en dan toch het geestelijk vaderschap claimen. Diamonds are Forever. Rechten kennelijk ook.

maarten schinkel

woensdag@nrc.nl