Saddam Hussein, of het einde van Hollywood

Niets heeft er tot nu toe aan gedeugd.

De invasie zelf al niet, want alle rechtvaardigingen die Bush had verzonnen, waren gelogen.

Daarna de val van Bagdad, van waaruit we uitzinnig blije en ‘bevrijde’ mensenmenigtes te zien zouden krijgen. Niemand. Onder de ogen van de veroveraars, die geen hand uitstaken en die trouwens én het Iraakse leger én de Iraakse politie hadden ontbonden, zagen we Arabieren op een holletje uit winkels, kantoren, paleizen en ziekenhuizen komen, met plundergoed op hun nek of op een bakfiets. De democratie – volk aan de macht – had onmiddellijk baan gebroken.

Vervolgens proclameerde Bush de moeder van alle overwinningen. Andermaal gelogen. Er waren toen misschien honderd van zijn soldaten gesneuveld. Pas gedurende de vrede die hij – havik als duif vermomd – naar het tweestromenland had gevlogen, werden het er 3.000.

Op 13 december 2003 brak Paul Bremer III – zeg maar de Pontius Pilatus van het bezette Irak – alle televisiezenders ter wereld open voor het laatste nieuws. Hij zag er minnetjes en grijs uit, en zei: „Ladies and gentlemen, we got him.”

Hij bedoelde Saddam Hussein.

In het troosteloze zaaltje vanwaar de boodschap werd uitgesproken ging een hoeraatje op dat klonk alsof het was ingestudeerd. Er zat nauwelijks iets triomfantelijks, of historisch of heroïeks aan de gebeurtenis die ook niet langer dan twee minuten duurde. Het leek dus in de verste verte niet op een Sternstunde. En waarom zou het ook? Een half jaar tevoren had de Amerikaanse president de victorie toch al uitgeroepen? Het land was toch al druk bezig de democratie te omhelzen? De massavernietigingswapens, die er nooit geweest waren, zouden er toch ook nooit meer komen? De tirannie was dankzij Bush toch voorgoed verdreven?

Alleen de villain in the plot, de schurk uit het klassieke scenario, moest nog ergens verborgen zitten. Na consciëntieus zoeken werd hij als een verslonsde landloper inderdaad aangetroffen in een konijnenhol. Even later mochten we hem op alle wereldschermen gehoorzaam z’n mond zien opensperren, en onder belichting van een zaklantaren zagen we daar vervolgens een glazen wattenstaafje in op en neer gaan. Aan zijn wangslijm moest met zekerheid worden vastgesteld of hij het werkelijk was. Hij was het. Hij zag er uit als de Stiefbeen uit een langvervlogen kinderserie.

Bij elk beeld dat dagenlang om het uur herhaald werd moest je bedenken: dit is niet Stiefbeen, dit is de voormalige dictator, de voormalige moordenaar, de voormalige misdadiger tegen de menselijkheid.

Maar behalve misschien voor Iraki die hem aan den lijve hadden ondervonden, kostte het steeds meer moeite er opluchting bij te voelen, of genoegdoening, of het soort spontane vergeldingsdrang dat de Roemenen bezielde toen ze in 1989 Ceaucescu en mevrouw hadden gegrepen: dan maar meteen doodschieten of ophangen.

Niets deugde aan de vormgeving van de contemporaine geschiedenis van het Amerikaanse Midden-Oosten. Terwijl de kinderen van Hollywood toch al sinds de gebroeders Lumière altijd precies hadden geweten hoe je van desnoods de gruwelijkste werkelijkheid nog een meeslepende film kunt maken.

Tot en met de laatste sequence is het allemaal smoezelig en groezelig gebleven.

De executie van de eeuw vastleggen met een mobiele telefoon! Had Paul Bremer III niet alleen de Republikeinse Garde en de politie maar ook de Iraakse filmindustrie nog laten laten ontmantelen? En was er in het leger van 144.000 man nou niet één oude Amerikaanse korporaal meer te vinden die nog wel eens een film over Neurenberg had teruggezien?

Op z’n ranch in Texas verklaarde George W. Bush bij het touw om de nek van de voormalige landloper: „Dit is een belangrijke mijlpaal op weg naar de democratie.”

Zelfs een behoorlijke dialoog kunnen ze niet meer schrijven.

    • Jan Blokker