Overheid moet abortus niet moeilijker maken

De toegang tot abortus moet blijven zoals die nu is. Anders verdwijnt een deel van de abortussen weer in de illegaliteit, meent P.E.Treffers.

De voortreffelijke column van Margo Trappenburg (Opiniepagina, 22 december), over de ‘noodtoestand’ die wettelijk voorwaarde is om tot het afbreken van de zwangerschap over te mogen gaan, verdient een aanvulling. De wet waarin die voorwaarde is vastgelegd dateert van 1984. Echter, feitelijk is het afbreken van een zwangerschap op niet strikt medische indicatie toegestaan vanaf mei 1967.

Onder druk van de publieke opinie richtte prof. Kloosterman in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam een abortuscommissie op om de noodtoestand van ongewenst zwangeren te beoordelen. Korte tijd later werden soortgelijke commissies opgericht in verscheidene andere universitaire en perifere ziekenhuizen.

Aan het beraad namen deel gynaecologen, psychiaters, maatschappelijk werkers, soms psychologen en de huisarts van de zwangere vrouw. Ik ben ook lid geweest van een dergelijke commissie. Alle commissieleden spraken afzonderlijk met de zwangere, voor haar een niet geringe belasting.

De wekelijkse commissievergadering besloot bij wie van de aangemelde vrouwen de zwangerschap zou worden afgebroken. Bij de anderen werd een abortus geweigerd omdat de commissieleden de noodtoestand minder ernstig oordeelden.

Na enkele jaren, toen ze hun werk evalueerden, zijn alle commissies tot de conclusie gekomen dat de vrouw zelf het beste haar nood kan beoordelen. Geen enkele commissie heeft bruikbare criteria ontwikkeld om een onderscheid te maken tussen ernstige en minder ernstige nood. Vaak bleek ons oordeel meer beïnvloed door onze eigen sociale achtergrond dan door de ervaringen van de zwangere vrouw.

Inmiddels waren in het begin van de jaren ’70 abortusklinieken opgericht die het oordeel van de vrouw zelf als richtlijn hanteerden. Zij legden bovendien de nadruk op goede voorlichting over anticonceptie. Dat laatste heeft tot gevolg gehad dat ‘recidiefabortus’ in Nederland zeer beperkt is gebleven.

In 1984 is, na langdurig onderhandelen, de Wet afbreking zwangerschap van kracht geworden. Als politiek compromis is daarin toch weer opgenomen dat een onontkoombare noodtoestand voorwaarde is alvorens tot afbreking mag worden besloten. In de praktijk beslist de vrouw.

De ChristenUnie is bezorgd over het haar inziens hoge aantal abortussen in Nederland (± 30.000 per jaar). Echter: van de landen met betrouwbare abortusstatistieken behoort het aantal abortussen in ons land tot de laagste.

Dankzij de openheid bij voorlichting over en verkrijging van anticonceptie is het aantal tienerzwangerschappen in Nederland en daardoor ook het aantal abortussen bij tieners veel lager dan elders.

Wanneer overheidsmaatregelen het verkrijgen van abortus moeilijker gaan maken is te verwachten dat een deel van de abortussen verdwijnt in de illegaliteit, dat de abortusregistratie dus onbetrouwbaar gaat worden, dat ongewenst zwangeren de weg naar hulpverlening moeilijker kunnen vinden en dat daarom de abortus op een later tijdstip in de zwangerschap plaatsvindt met meer kans op complicaties. Dat moet voorkomen worden.

P.E.Treffers is emeritus hoogleraar verloskunde en gynaecologie.

De column van Margo Trappenburg is na te lezen op www.margotrappenburg.nl