Opsporingswerk moet ruimer en geheimer

Het opsporingswerk moet meer ruimte krijgen, vindt het hoofd van de Nationale Recherche Tom Driessen. De politiek blijft huiverig na de beruchte IRT-affaire.

Rotterdam, 3 jan. - Het hoofd van de Nationale Recherche, Tom Driessen brak gisteren in het politieblad Blauw een lans voor ruimere bevoegdheden voor de recherche in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Bevoegdheden die na de bevindingen van de commissie-Van Traa in de jaren negentig aan banden werd gelegd nadat was gebleken dat justitie en politie in de opsporing nagenoeg ongecontroleerd hun gang konden gaan.

Sinds 2000 is in de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB) geregeld wat is toegestaan in strafrechtelijk onderzoek bij infiltratie, pseudokoop of undercoverpraktijken. Maar de in die wet opgenomen beperkingen belemmeren het opsporingswerk, vindt Driessen. De tegenpartij staat stelselmatig op voorsprong en bestudeert en analyseert nauwgezet de rechechetactieken. Daarom is Driessen pleitbezorger van de inzet van burgerinfiltratie als het gaat om internationaal opererende criminelen of terrorisme. „Met strakke regelgeving, zodat het op een transparante manier de rechterlijke toets kan doorstaan. Als we weer mogen infiltreren, kunnen we een grote slag maken.”

Hoofdcommissaris Van Zunderd van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), waar de Nationale recherche onderdeel van uitmaakt, schaarde zich gisteren voorzichtig achter Driessens pleidooi. Hij noemde als voorbeeld de manier waarop tactische recherchemethodes naar een ‘lekkende rechercheur’ van de Nationale Recherche via de media op straat lagen doordat ze vermeld moeten worden in het strafdossier over die zaak, waarna ze dus verder onbruikbaar zijn. „Terwijl we sommige methodes meer dan één keer willen kunnen gebruiken.” Volgens Driessen is het ‘schrijnend’ dat alle inzet en handelingen bij politieonderzoek uiteindelijk in processen-verbaal voor iedereen leesbaar zijn. Dat moet volgens hem selectiever. „Alles wat we doen, moet worden getoetst. Maar niet alles hoeft naar de verdediging.”

De inzet van criminele burgerinfiltranten is, als gevolg van een Kamermotie, in principe verboden. Uitzondering vormt opsporingsonderzoek naar terroristische misdrijven en dan alleen als de inzet van een politie-infiltrant niet mogelijk is en andere opsporingsonderzoeken geen soelaas bieden. De inzet van niet-criminele burgerinfiltranten is op zeer beperkte schaal mogelijk. Zo mag een burgerinfiltrant zelf geen strafbare handelingen verrichten en alleen maar worden ingezet na toestemming van het College van procureurs-generaal en de minister van Justitie. Burgerinfiltratie die uitsluitend gebruikt wordt om de informatiepositie van de politie te verbeteren, is uitdrukkelijk verboden.

Ook de inzet van kroongetuigen die in ruil voor strafvermindering verklaringen afleggen, is aan strikte voorwaarden gebonden. Dat is geregeld in de ‘Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken’ van maart vorig jaar. Daarbij geldt het principe dat kroongetuigen geen beloning krijgen voor hun verklaringen, maar strafvermindering. Het Openbaar Ministerie heeft verder de bevoegdheid om bijvoorbeeld toe te zeggen, af te zien van strafrechtelijke vervolging of zelfs strafrechtelijke immuniteit.

Incidenteel, zo schreef toenmalig minister Donner (Justitie,CDA) aan de Tweede Kamer, kunnen ook verdergaande toezeggingen gedaan worden. Maar dan moet het gaan om verklaringen die bijvoorbeeld aanslagen kunnen voorkomen waarbij ettelijke mensenlevens op het spel staan. De minister moet daar dan verantwoording over afleggen in de Tweede Kamer.

„We hebben het opsporingswerk in Nederland strak geregeld, strakker dan in de meeste andere Europese landen”, zei fractievoorzitter André Rouvoet en voormalig lid van de commissie-Van Traa in 2004 toen de discussie opnieuw speelde over de inzet van infiltranten en deals met criminelen. „Maar daar hadden we vanwege de IRT-affaire goede redenen voor.” De huidige reacties vanuit de Tweede Kamer maken duidelijk dat ook in 2007 het pleidooi van Driessen nog steeds geen brede bijval krijgt.

    • Jos Verlaan