‘Oeral wordt populair bij investeerder’

Remco Ruimtebouw in Best bouwt bedrijfspanden in Oost-Europese landen.

Door de stijgende welvaart in het oosten schuiven de klanten op. De bouwer volgt.

Jan van Vulpen Foto Joyce van Belkom Best, 15-12-2006 Dhr Vulpen, directeur van Remco Ruimtebouw in Best. © Joyce van Belkom Belkom, Joyce van

De directie van aannemingsbedrijf Remco Ruimtebouw in Best stond begin jaren negentig bepaald niet te springen om prefab-bedrijfsruimten te gaan bouwen in Oost-Europa. Het bedrijf kende de cultuur in het Oostblok niet en voorzag boze blikken als het met Nederlands staal constructies zou bouwen in landen die zelf staal maken.

„Maar toen er vijf, zes klanten tegelijk voor onze deur stonden, moesten we wel”, herinnert directeur Jan van Vulpen zich. „Die bedrijven wilden investeren in Oost-Europa, maar liepen op tegen het feit dat men daar nogal beton-minded is. Onze klanten zitten vooral in de transport en logistiek en willen grote hallen met vrije, stalen overspanningen, zonder ruimte vretende betonnen pilaren.”

Remco Ruimtebouw, 110 werknemers en 300 vaste onderaannemers groot en dochter van bouwbedrijf Janssen de Jong Groep, heeft bijna vijftien jaar later geen spijt: van de totale omzet komt inmiddels 60 procent uit Oost-Europa. En van alle bedrijfspanden die de onderneming dit jaar neerzet, komt 80 procent in Polen, Roemenië, Bulgarije, Oekraïne en Georgië te staan. Eerst meldde zich de westerse maakindustrie die in Oost-Europa goedkope arbeid zocht voor producten voor de thuismarkt. Daarna volgden de investeerders die consumptieartikelen gingen maken voor de lokale markt. En nu de Oost-Europese economieën zich goed ontwikkelen, werkt Van Vulpen steeds meer voor lokale ondernemers die bouwmarkten en autoshowrooms willen.

Het is een stille revolutie, zegt Van Vulpen. „KLM vliegt driemaal daags op Boekarest en dat vliegtuig zit altijd vol. Niet met vakantiegangers.” Remco Ruimtebouw heeft vorig jaar 80.000 vierkante meter bedrijfspanden neergezet in Roemenië, onder meer voor een marsepein- en chocoladebedrijf dat voor Nederland en België gaat produceren. Over drie jaar moet het 120.000 vierkante meter zijn: ongeveer 25 bedrijven.

Zelf heeft Remco Ruimtebouw ook een deel van de productie naar het oosten verplaatst: produceerde het bedrijf vijf jaar geleden nog stalen spanten voor buitenlandse projecten in Nederland, inmiddels is die tak verkocht en besteedt het bedrijf de productie uit in Polen, Slowakije, Macedonië en Roemenië. „De transportkosten werden gewoon te hoog”, zegt Van Vulpen. Als voorbeeld noemt hij een project in het Bulgaarse Rousse, waar Remco een pand bouwt voor een Franse producent van auto-onderdelen. „Er gaat 1.200 ton staal in. Vanuit Nederland zou dat met zestig trailercombinaties naar Bulgarije moeten. Dat betekent 200.000 euro aan transportkosten. Dan ben je je concurrentievoordeel snel kwijt.”

Toch is een complete verhuizing van Remco Ruimtebouw naar Oost-Europa niet aan de orde. „Het is voor onze klanten, vrijwel allemaal westerse investeerders en lokale topbedrijven, belangrijk dat we een Nederlands bedrijf zijn. Daarmee onderscheiden we ons van Oost-Europese bouwondernemers, die doorgaans minder betrouwbaar zijn.”

Corruptie en bureaucratie vormen nog altijd een probleem in Oost-Europa, volgens Van Vulpen. „Het duurt nog wel twee generaties voordat Oost-Europa qua zakelijke moraal op ons niveau zit. In Roemenië en Bulgarije zijn de laatste maanden enorm veel inspecteurs aan het werk die zich strikt aan de EU-regels houden en de bouw stilleggen als er ook maar iets niet klopt. Of geld eisen.”

Allemaal window dressing richting Brussel, vindt Van Vulpen, die zelf geen last zegt te hebben van projecten die stilgelegd worden. Toch kun je prima zaken doen in die landen, vindt hij. „Wij geven nooit toe aan corruptie. Doe je het wel, dan gaat dat meteen rondzingen en graaf je je eigen graf. Het helpt wel dat wij voor westerse investeerders en grote lokale bedrijven werken. De autoriteiten hebben belang bij die nieuwe panden, want dat betekent banen.”

Van Vulpens grootste zorg is de beschikbaarheid van goede werknemers. „Gekwalificeerde werknemers zoeken hun heil elders. Na de toetreding tot de EU is 10 procent van de totale bevolking van Letland naar het buitenland vertrokken. Toen we daar onlangs onderhandelden over een contract voor een groot project stond daarin dat we ons eigen personeel moeten meenemen. Polen halen Oekraïners en Bulgaren binnen om de gaten in de arbeidsmarkt te vullen. De Roemeense textielindustrie werft krachten in China. In de steden staan de lonen enorm onder druk en daar moet je in mee, anders verlies je. Daarom zorgen we goed voor ons personeel: we werken met bonussen, ze rijden in fatsoenlijke westerse auto’s en hebben een ziektekosten- en pensioenverzekering.”

Van Vulpen ziet zijn klanten oostwaarts trekken door de stijgende lonen. „Westerse bedrijven waarvoor we tien jaar geleden een pand bouwden in Hongarije, schuiven nu door naar Georgië en Oekraïne. Een Hongaar kost een paar euro per uur, een Georgiër een fractie daarvan. Ik ken ook bedrijven die van Polen naar Roemenië verkassen. Naar het platteland wel te verstaan, want daar duurt het kostenvoordeel het langst. We voeren al gesprekken voor vergunningen in Rusland en ik ben inmiddels drie keer in de Oeral geweest. Ik voorspel dat daar over dertig jaar het zwaartepunt van de wereldeconomie ligt.”

    • Friederike de Raat