Nieuwe kennis uit het oude moederland

Elk half jaar wordt Paramaribo bedeeld met een nieuw contingent Nederlandse stagiairs. Ze zijn gewild, want ze brengen kennis mee. Zelf leren ze vooral een andere cultuur en het leven kennen.

Wie begin twintig en Nederlands is, krijgt overal in Paramaribo dezelfde vraag. „Ben je allang hier? Je loopt stage, no?”

De Nederlandse stagiair is een begrip in Suriname. De blonde meisjes en jongens met roodverbrande hoofden vallen bijna niet meer op. Elk half jaar arriveren er drie vliegtuigladingen met vooral hbo’ers, veel meisjes en vooral studenten in een sociale richting. Ze komen naar Suriname om zich onder te dompelen in een land met een andere cultuur, waar ze wel gewoon Nederlands kunnen spreken. En Surinaamse organisaties en bedrijven zijn blij dat ze deze maatschappelijk werkers en verpleegkundigen in spe kunnen ontvangen.

Dat komt niet alleen doordat het goedkope arbeidskrachten zijn. Sommige stagiairs in het bedrijfsleven krijgen stagevergoedingen tot wel 300 euro per maand, geen ongewoon maandsalaris in Suriname. Nynke Pool, die via Stageloket Suriname stageplaatsen zoekt voor studenten, vertelt dat men in Suriname graag Nederlanders in dienst heeft. Mede omdat ze soms kennis meebrengen die in het land schaars is. „Opleidingen communicatie, journalistiek, maatschappelijk werk, die heb je hier allemaal niet.”

Bij de stichting Ilse Henar-Hewitt, die juridische bijstand geeft aan vrouwen, konden ze bijvoorbeeld leren van de stagiairs met een sociaal-juridische opleiding, vertelt medewerkster Lindsey Donokarijo. Die hadden meer geleerd over hoe ze met cliënten moeten omgaan dan de eigen juristen bij de organisatie. Donokarijo vertelt dat die gewend waren alleen juridisch te denken: als een vrouw mishandeld wordt en wil scheiden, dan helpen ze de echtscheiding te regelen. „Maar later blijkt dat die vrouw eigenlijk geen scheiding wil. Zo’n student haalt dat er in een gesprek uit.”

Ondanks dat ze in Suriname vaak hun eerste werkervaring opdoen, wordt van stagiairs soms dan ook veel verwacht. Student communicatie Jennifer Kiewiet (21) bijvoorbeeld, werd op haar stageplaats meteen aangeduid als „degene die verantwoordelijk is voor alle pr”. Kiewiet: „Terwijl ze dit bij mij op school een snuffelstage noemen.”

Voor stagiairs is het soms moeilijk dat de Surinaamse praktijk afwijkt van de theorie die ze op school hebben gehad. Veel van hen hebben dezelfde verhalen. Over de taakverdeling op hun stageplaats, die zo onduidelijk is dat het lijkt alsof iedereen alles – of niets – doet. Of over dat er zo weinig op papier is vastgelegd dat ze constant aan collega’s moeten vragen hoe alles moet. Efficiency lijkt geen prioriteit te hebben. Afspraken gaan niet door. En dan de faciliteiten, die zoveel kariger zijn dan in Nederland. Pool krijgt regelmatig telefoontjes van studenten in verwarring: „Ze hebben hier geen internet!” Ze zucht. „Ze moeten Nederland en Suriname gewoon niet met elkaar vergelijken.”

Op de vraag of ze wel iets leren van hun Surinaamse stage, reageren studenten lichtelijk vertwijfeld. Improviseren misschien? Jennifer Kiewiet, die stage loopt bij de Nationale Vrouwenbeweging, zegt: „Zij kunnen misschien meer van mij leren dan andersom.”

Nynke Pool van het stageloket, die zelf als stagiaire naar Suriname kwam en nu samenwoont met een Surinamer, denkt dat studenten wel veel leren, maar dan vooral ‘over het leven’. Sommige stagiairs zijn pas een jaar of 19 en wonen in Suriname voor het eerst op zichzelf. En dan ook nog in een vreemde cultuur, die sommigen vanuit Nederland nauwelijks kenden.

Kiewiet komt bijvoorbeeld van Ameland, „en daar wonen nul Surinamers”. In Paramaribo proberen opeens alle jongens haar aandacht te trekken, ze roepen ‘pssssst’ en ‘Sneeuwwitje’ en toeteren als ze langsloopt. Kiewiet: „Verschrikkelijk.” Verder werd ze op haar eerste stagedag om half acht verwacht en ze wilde ruim op tijd zijn, zoals ze gewend is. „Stond ik daar om kwart over zeven in mijn eentje. Ze kwamen pas om tien over half acht!”

Lukas Koelikamp (24) heeft minder moeite zich aan te passen. Hij loopt stage bij de Esther Stichting, een woonvoorziening voor voormalig leprapatiënten. Ondanks dat hij er pas een maand is, flirt hij al als een echte Surinamer. Als hij een rondje maakt, beginnen zowel patiënten als verpleegsters te glimmen. „Dag mevrouw Kemper!” zegt hij. „Alla sani boen?”

Koelikamp, die maatschappelijk werk studeert, ziet wel dat alles niet zo gestructureerd en goed geregeld is als in Nederland. Maar, zegt hij op een bankje onder een boom: „Ik heb het gevoel dat dit ook een goede manier is om te leven. Minder stress, meer tijd om te relaxen.” Bovendien is hij onder de indruk van de gastvrijheid. Hij heeft al allerlei mensen leren kennen, die hem hebben meegenomen naar feestjes, op uitstapjes buiten de stad of om bij ze te komen eten. Koelikamp: „Een Nederlander zal nooit zeggen: ‘Hé, daar lopen mensen uit Nigeria, laat ik die eens rondleiden in Groningen en hutspot voor ze koken.’ ”

Of ze moeten wennen of niet, de stagiairs vermaken zich in ieder geval uitstekend. In het weekend zitten ze met elkaar aan het zwembad, op het terras, of gaan ze naar Colakreek om te zwemmen. Bijna iedereen volgt salsalessen. Ze leren Surinamers kennen, gaan naar feestjes, maken nog een reis naar het binnenland. En uiteindelijk, zegt Pool, gaat bijna iedereen huilend terug naar huis.

    • Elske Schouten