Het ontzet van Athene

De jaarwisseling ging dit keer gepaard met de bevrijding van Athene’s stadscentrum. De Griekse minister van Orde, Byron Polýdoras, kreeg met presidentiële steun gedaan dat demonstraties met minder dan vijfhonderd deelnemers voortaan het linkerdeel van de rijweg moeten vrijlaten.

Tientallen jaren is Athene het toneel geweest van curieuze folklore. Zowat elke werkdag, soms twee of driemaal op één dag, werd er wel ergens een demonstratie gehouden van duizenden, maar vaak ook slechts enkele honderden, boze burgers die althans voor enkele uren de aandacht wilden vestigen op hun sores: onderbetaling, ontslagen, dreigende sluiting van het bedrijf. Ernstige klachten, die echter het tegendeel opriepen van de beoogde sympathie.

De betogers verzamelden zich op bepaalde pleinen, maar richtten hun schreden steevast naar het parlementsplein waar ze vaak op straat gingen zitten. De politie reageerde even steevast met afzetting van zowat het hele centrum, iets dat vele uren in beslag nam. De Atheners raakten ten prooi aan woede, maar in de loop der jaren ook aan een soort berusting – ze werden murw.

Om de één of andere reden werd nooit, zelfs niet op heel warme dagen, het waterkanon ingezet – elders toch heel gebruikelijk. De demonstraten zelf betoogden dat de politie met opzet extra veel afzettingen plaatste om de wrevel van het publiek te versterken. Als dat zo is, is het aardig gelukt.

Maar eind vorig jaar kwam de de minister, onder druk van vooral winkeliersverenigingen, met zijn verordening. De twee kleine linkse partijen en vakbonden spraken van „aantasting van de vrijheid van meningsuiting”; de grote socialistische oppositiepartij hield zich een beetje op de vlakte, maar stelde dat er een parlementsdebat aan had moeten voorafgaan. ‘Het publiek’ was zonder meer vóór: op televisie had men kunnen zien hoe zelfs in het ruige Mexico massale protestmarsen een deel van de rijweg vrijhouden.

De bewindsman zal door de maatregel zeker aan populariteit winnen, en die kan hij ook wel gebruiken. Door allerlei omstandigheden is hij de laatste weken het onderwerp geweest van hevige kritiek, niet alleen in de oppositionele media.

Zijn mobiele eenheden zijn, geregistreerd door de tv, heel bruut opgetreden tegen demonstrerende studenten en scholieren. Dat moet anders bij het ‘vrijhouden van de strook’. In één geval moest de minister zelfs persoonlijk excuses aanbieden aan een toegetakeld slachtoffer. Een recent rapport van een commissie van de Raad van Europa is bovendien vernietigend over de wijze waarop illegale buitenlanders worden behandeld in opvangcentra, waarvoor hij ook de verantwoordelijkheid draagt.

De anarchisten, hier ‘bekende onbekenden’ genoemd, die ook al met niet meer dan enkele honderden zijn, worden weer steeds driester in hun vernietigingsacties – onlangs nog kozen zij in één nacht negen banken in Attica en Thessaloniki tot doelwit. Ook hierover klagen winkeliers al tientallen jaren.

Polýdoras reed recentelijk een scheve schaats door de oppositiepartijen hierover beschuldigend toe te spreken: ze vormden „belendende elementen” en zouden zich sterker van dit vandalisme moeten distantiëren, zei hij.

De ‘gewone’ criminaliteit, met spectaculaire roofovervallen, nam juist de laatste weken, ook tijdens de feestdagen, alarmerend toe. Oppositieleider Jórgos Papandreou wist te melden dat slechts veertig procent van het politiecorps voor beveiliging wordt ingezet. Ook waren er enkele merkwaardige ontsnappingen uit gevangenissen waarover het ministerie van Orde de supervisie heeft.

    • F.G. van Hasselt