VS hebben zaak-Saddam verprutst

Het verhaal van het einde van Saddam Hussein is een trieste metafoor voor de Amerikaanse bezetting van Irak. Wat goed had kunnen gaan, is slecht afgelopen, meent Fareed Zakaria.

Saddam Hussein was geen doorsneedictator. Hij schiep een van de wreedste, corruptste en gewelddadigste regimes in de moderne geschiedenis, iets wat leek op de Sovjet-Unie onder Stalin, China onder Mao of Noord-Korea onder Kim Jong Il.

Wat de strategische wijsheid voor de Verenigde Staten ook geweest mag zijn, zijn afzetting begon als iets wat zonder enige twijfel goed was voor Irak. Maar al spoedig verwierp de regering-Bush het idee om Saddam voor het Internationaal Strafhof te brengen, of voor enig ander gerechtshof met een bredere legitimiteit. Dit is immers de regering die weinig voordeel zag in een mandaat van de Verenigde Naties voor haar eigen invasie en bezetting van Irak. Zij legde het lot van Saddam in handen van het nieuwe Iraakse bewind, dat werd gedomineerd door shi’itische en Koerdische politici die slachtoffer waren geweest van zijn bewind. Als gevolg daarvan wordt het proces tegen Saddam, dat had moeten uitmonden in een oordeel van de beschaafde wereld over een tiran, door de Iraakse sunnieten en een groot deel van de Arabische wereld nu als een farce gezien die louter de wraak van de overwinnaars weerspiegelt.

Dit was niet onvermijdelijk. De meeste Irakezen waren blij dat Saddam zijn macht kwijt was. In de maanden na de Amerikaanse invasie kwam de steun voor het Voorlopig Gezag van de Coalitie boven de 70 procent uit, zelfs onder Iraakse sunnitische Arabieren. In de eerste maanden van de opstand keurde slechts 14 procent van hen aanvallen op de Amerikaanse troepen goed. Dat is nu 70 procent. Het opstandige gebied was die eerste maanden niet (het sunnitische) Fallujah, maar (het shi’itische) Najaf.

Maar in die cruciale eerste maanden ontbond Washington het Iraakse leger, ontsloeg het 50.000 bureaucraten en sloot het de staatsbedrijven waar de meeste Irakezen werkten. Zo ontmantelden de VS de Iraakse staat, en lieten zij een diep veiligheidsvacuüm ontstaan, evenals een administratieve chaos en een snel oplopende werkloosheid. Die staat was gedomineerd door de sunnitische elites, die de gang van zaken niet louter als een regimewisseling zagen, maar als een revolutie waarin zij de nieuwe onderklasse waren geworden. Voor hen leek het nieuwe Irak op een nieuwe dictatuur.

Waarom Washington met zo weinig overleg zulke grote stappen zette, blijft een van de vele raadsels van het buitenlands beleid van de regering-Bush. Een deel van de besluitvorming werd gemotiveerd door ideologie: het Ba’athisme stond gelijk aan het fascisme, dus iedere schoolmeester of universiteitsdocent die lid was geworden van de Ba’ath-partij om aan een baan te komen, werd gezien als een crypto-nazi; staatsbedrijven waren slecht, het nieuwe Irak had een ‘flat tax’ (een voor iedereen gelijk belastingtarief) nodig, enz. Een deel van dit alles werd beïnvloed door shi’itische ballingen die de volledige heerschappij over het nieuwe Irak wilden bemachtigen. Een ander deel was de weerspiegeling van de mengeling van onwetendheid en naïviteit die het beleid van de ‘harde jongens’ van Bush kenmerkte.

De regering-Bush heeft nooit volledig de sektarische aard van haar eigen beleid onderkend, dat in zijn gevolgen eerder ‘nation busting’ (verwoestend) dan ‘nation building’ (opbouwend) is geweest. Zij bleef erop hameren dat zij bezig was een nationale leger- en politiemacht op te bouwen, toen het volkomen duidelijk was dat de strijdkrachten vooral uit shi’ieten en Koerden bestonden, grotendeels afkomstig van milities die loyaler waren aan politieke partijen dan aan de staat. De reactie op deze fundamentele politieke bezwaren was technocratisch van aard: méér training. Maar een sterker shi’itisch leger maakte – maakt – de sunnitische bevolking onzekerder, en bereidwilliger om de opstand te ondersteunen.

De sunnieten zijn niet de goedzakken. Zij hebben zich meestal gedragen als zichzelf in de vingers snijdende schurken. De minderheid die al-Qaeda steunt, is werkelijk barbaars. Het punt is echter niet hun misdadigheid, maar de stommiteit van de VS. Ze hebben in één klap niet alleen Saddam afgezet, maar ook een eeuwenoude regeringselite aan de kant geschoven, en waren vervolgens hoogst verbaasd dat de sunnieten daar niet blij mee waren. In tegenstelling daarmee heeft Nelson Mandela, toen hij in Zuid-Afrika aan de macht kwam, geen enkele blanke bureaucraat of soldaat ontslagen – en niet omdat hij vond dat ze zijn volk zo goed hadden behandeld. Hij zag de strategie terecht als een manier om een opstand van de Afrikaners te voorkomen.

Het is nu onder neoconservatieven in Washington modieus de Irakezen de schuld te geven van wat in hun land is gebeurd. „We hebben de Irakezen een republiek gegeven, maar ze lijken niet in staat te zijn die te behouden”, klaagt de conservatieve columnist Krauthammer. Maar de regering-Bush gaat zeker niet vrijuit. Zij heeft zonder daar goed over na te denken een politieke en sociale revolutie ontketend, die net zo intens was als de Franse of de Iraanse, en leek daarna verrast toen bleek dat Irak die niet zo vreedzaam en snel wist te verwerken. We hebben hen geen republiek gegeven, maar een burgeroorlog.

Fareed Zakaria is columnist. © Newsweek

    • Fareed Zakaria