Nog altijd aanwezig

De executie van Saddam Hussein is zaterdag ontaard in een shi’itische wraakoefening.

De ophanging van de oud-dictator verscherpt de onderlinge tegenstellingen.

Direct na de executie van Saddam hangt in het centrum van Bagdad een pop van de oud-dictator. Foto AFP An effigy of Saddam Hussein hangs in a central Baghdad street 30 December 2006, as Iraqis reeled from the news that ousted Iraqi despot Saddam Hussein was excecuted this morning by hanging. More than 50 Iraqis were killed and dozens more wounded in a series of bloody car bombings that caused chaos after the government's pre-dawn execution of Saddam Hussein AFP PHOTO / AHMAD AL-RUBAYE AFP

In Irak lopen omwentelingen doorgaans fataal af voor de verliezende partij, en met Saddam Hussein is het niet anders gegaan. In tegenstelling tot zijn voorgangers is de in maart 2003 afgezette en in december van dat jaar opgepakte Iraakse Leider-President nog wel berecht. Maar zijn proces was niet meer dan een formaliteit, en zijn executie afgelopen zaterdag herinnerde ook aan de praktijk van het verleden.

Veel van de nieuwe Iraakse leiders maakten er geen geheim van dat zij Saddam wilden zien hangen en dat hij ook zóu hangen – premier Nouri al-Maliki kondigde nog voordat de beroepsprocedure was begonnen, al aan dat Saddam voor het eind van het jaar zou worden terechtgesteld. Zijn lijk is dan wel niet tentoongesteld of achter een auto door de straten gesleept tot er niets van hem over is, zoals vroeger wel gebeurde om eventuele rivalen duidelijk te maken dat de nieuwe machthebbers niet met zich lieten spotten. Dit keer ontaardde de terechtstelling in een publieke shi’itische wraakoefening op hun vroegere sunnitische onderdrukker.

Niet alleen omdat de ophanging plaatshad op wat voor sunnieten de eerste dag was van de Eid al-Adha, een van de belangrijkste religieuze feesten, waardoor veel sunnieten diep gekrenkt zijn. Maar ook om de sektarische geur die rond de executie hing. „Muqtada, Muqtada”, riepen genodigden rond het schavot in een verwijzing naar de shi’itische geestelijke Muqtada Sadr, wiens militie als de moorddadigste van de huidige anti-sunnitische strijdgroepen bekendstaat. „Muqtada? Is dit wat we kunnen verwachten?”, reageerde Saddam met de strop om zijn nek.

Wie had verwacht dat de terechtstelling van Saddam Hussein een nieuw begin voor Irak zou kunnen inluiden, is daarmee bedrogen uitgekomen – daarentegen zijn de tegenstellingen tussen shi’ieten en sunnieten weer verder verscherpt.

De gebrekkige rechtsgang symboliseert het hele Irak-na-Saddam. Een democratie zou het worden, in een radicale breuk met het Saddamistische verleden, die een voorbeeldwerking zou hebben over het hele Midden-Oosten, zo hadden de Amerikaanse bevrijders aangekondigd. Van die belofte zijn, bijna vier jaar later, alleen vrije verkiezingen gerealiseerd.

Het verschil met Saddams tijd is vooral dat nu niet specifieke groepen maar iedereen doelwit is van geweld. En dat iedereen ook de dader kan zijn, niet alleen het regime. Meer dan een miljoen Irakezen zijn afgelopen jaar voor geweldplegers uit hun woningen gevlucht, nóg meer dan onder Saddams regime in enige specifieke periode het geval was. Zelfs méér vluchtelingen dan toen Saddam zo’n 300.000 shi’ieten – „landverraders” – naar Iran joeg aan het begin van de Iraans-Iraakse oorlog (1980-1988) of tijdens zijn uiterst gewelddadige Arabisering van Koerdistan aan het eind van die oorlog, onderwerp van het lopende genocideproces dat het verder zonder Saddam moet doen.

In de gevangenissen wordt nu even routineus als in Saddams tijd gemarteld – vorige week maandag bestormde het Britse leger in Basra een politiebureau waar veel van de 127 gevangenen zwaar waren gefolterd. De Britten waren getipt dat de gedetineerden zouden worden geëxecuteerd. Elke dag worden in Bagdad en andere steden tientallen lijken van gemartelde mannen en vrouwen gevonden. Net als onder Saddam zijn elektrische boren daarbij een vaak gehanteerd werktuig.

Dit nieuwe Irak is natuurlijk voor een groot deel het oude Irak. Het is wat Saddam zijn bevolking heeft nagelaten. Zoals Saddam tot op zekere hoogte de erfenis was van zijn verleden. Zeeën van bloed hebben Irak in de loop van de eeuwen overspoeld, zowel van gewone burgers als van hun leiders. De Iraakse ziel is ervan doordrenkt geraakt. Na de onafhankelijkheid in 1932 van Britse overheersing volgde coup op coup, meestal bloedig, en daarop volgde iedere keer weer verder verloederende onderdrukking.

Saddam Hussein was het superproduct daarvan, de ongeëvenaarde kampioen-bloedvergieter. Toen hij in 1979 president Hassan al-Bakr terzijde schoof en alleenheerser werd, liet hij in het besef van zijn eigen kwetsbaarheid honderden potentiële rivalen liquideren. Hij smeedde de veiligheidsdiensten om tot een extreem efficiënt verdedigingswapen, waarbij hij foltering tot kunst liet verheffen. En wie het toch waagde te rebelleren of weerwerk te leveren, of die indruk wekte, of alleen maar te populair werd, werd eveneens geliquideerd, schuldig of onschuldig – en liever onschuldig, want de afschrikkingskracht daarvan is vele malen groter.

In verschillende opzichten is het Irak van vandaag het werk van Saddam. Bijvoorbeeld in die zin dat het nog steeds normaal is dat de politie martelt en de processen oneerlijk zijn – dat is nu eenmaal zo. De politie en de andere veiligheidsdiensten zijn nieuw-gerekruteerd en nieuw-opgeleid. Maar de nieuwe agenten zijn wel gevormd in Saddams tijd en opgegroeid met zijn methoden. Zij grijpen dus ook makkelijk naar zijn methoden. Er is nu een ministerie voor Mensenrechten als teken van de nieuwe tijd, maar wat doet het? Onderzoeken en strafmaatregelen worden beloofd, maar resultaten worden nooit bekendgemaakt. De gemeenteraad van Basra was buitengewoon verontwaardigd over de Britse bestorming van het politiebureau – niet over de martelpraktijken van de politie.

Ook veel van het huidige sektarische geweld is op Saddam terug te voeren. Hij was zelf afkomstig uit het sunnitische hartland van Irak en de sunnitische minderheid van het land was zijn machtsbasis – ons kent ons. Shi’ieten en Koerden waren de onderliggende partijen. Na zijn omverwerping gingen sunnieten in de aanval, gemarginaliseerd als zij zijn, nu de shi’itische meerderheid en de Koerden de lakens uitdelen.

Maar de huidige orgie van shi’itisch geweld, die in februari werd losgemaakt na de aanslag op de Gouden Moskee in Samarra, een van de heiligste heiligdommen van de shi’itische islam, is minder een reactie op die sunnitische aanvallen dan wel wraak voor het verleden. Het is een afrekening die drie jaar is verlaat, omdat de invloedrijke grootayatollah Ali Sistani de moordlust zolang kon bezweren. Het is wraak voor het genadeloos neerslaan van de shi’itische opstand van 1991 na de Golfoorlog en wraak voor de vervolging van hun ayatollahs en de onderdrukking van hun beleving van de islam.

Niet voor niets zijn de ergste moordenaars van vandaag de militieleden van de radicale geestelijke Muqtada al-Sadr, wiens gezaghebbende en populaire vader grootayatollah Mohammed Sadiq al-Sadr in 1999 in opdracht van Saddam werd vermoord. Slachtoffers zijn gewone sunnitische burgers, niet de sunnitische extremisten die voor de aanslagen van de drie jaar vóór ‘Samarra’ verantwoordelijk zijn.

Wat Saddam niet heeft nagelaten, zijn de positieve zaken die hij doorvoerde in de jaren zeventig aan het begin van zijn regime. Toen Saddam nog de sterke man was achter president Hassan al-Bakr beoogde zijn seculiere Ba’ath-regime een revolutie door te voeren: de „nieuwe Arabische mens” moest worden gecreëerd, bevrijd van „de boeien van het verleden”, van stam en geloof. Dat gebeurde met fascistoïde middelen, maar ook met prioriteit voor onderwijs, speciaal voor vrouwen die een zelfstandige rol moesten gaan spelen, voor gezondheidszorg en landhervorming. Eén Arabische natie met een eeuwige missie: Arabische eenheid, bevrijding en socialisme, dat was de utopische missie van de Ba’ath (wedergeboorte). Iraakse intellectuelen herinneren zich, met enige schaamte, hun steun aan die Ba’ath.

Irak werd in die tijd in het Westen bewonderd als het Duitsland van het Midden-Oosten. Westerse bedrijven voerden er, met het schijnbaar onuitputtelijke oliegeld, grote bouwprojecten uit. Maar de geld en mankracht verslindende oorlog tegen Iran, bedoeld om het zwakke revolutionaire regime in het buurland ten val te brengen en de olieprovincie Khuzestan te grijpen, eindigde in een impasse. De Iraakse economie werd gevaarlijk ondermijnd, en vervolgens verwoest door de oorlog om Koeweit en internationale handelssancties. Van de Ba’ath bleef uiteindelijk niets meer over dan een massa-organisatie met totale controle over de maatschappij .

Op 13 december 2003 werd Saddam Hussein – jarenlang toegejuicht als de nieuwe Nebukadnezar, de Zon van alle Arabieren, wiens standbeelden en portretten naar verluidt even talrijk waren als hij onderdanen telde – door Amerikaanse militairen uit een schuttersputje geplukt en voor de televisiecamera’s ontluisd. Hij maakte een comeback in de rechtszaal, in zijn nette donkere pak met de koran onder zijn arm geklemd, de rechters van het Speciale tribunaal uitfoeterend als die hem, „uw president”, niet respectvol bejegenden. Maar zij hadden het laatste woord en lieten hem ophangen, zoals hij, omgekeerd, ook hen zou hebben laten ophangen.

Bart Stapert, voorzitter van Amnesty International Nederland beschrijft op pagina 14 en 15 waarom de doodstraf niet de juiste straf is voor Saddam.

    • Carolien Roelants