Lekker gevoel, de stad opruimen

Als het nieuwe jaar net twee uur oud is, gaan de schoon-makers in Amsterdam al weer aan de slag. „Je moet een beetje gek zijn voor dit werk. Vuil is leuk.”

Eerst moet het centrum van Amsterdam schoon, dan pas komen de buitenwijken. Foto Maarten van Haaff foto maarten van haaff Haaff, Maarten van

Rotterdam, 2 jan. - Het nieuwe jaar is precies twee uur oud. Duizenden mensen zwalken door de binnenstad van Amsterdam. Het Damrak is bedekt met een tapijt van glasscherven. Overal liggen paraplu’s, bierblikjes en flessenhalzen van stukgeslagen flessen champagne. Langzaam trekken de dertigduizend feestgangers op de Dam naar huis of richting de kroeg. Een meisje in feestkleding blijft met haar naaldhakken steken in de tramrails. Wie door de stad loopt, voelt overal glas knisperen onder zijn schoenen.

Voor de stadsreiniging van stadsdeel Centrum in Amsterdam is de eerste werkdag van het jaar zojuist begonnen. Terwijl de biertappen op slot gaan op de Dam, trekt een klein leger van schoonmakers de binnenstad in. Ze maken een start met het opruimen van de ravage van een nacht feesten. Een operatie die de hele week zal duren.

„Het is ieder jaar hetzelfde”, verzucht teamleider van de veegdienst Jan Dirksen. „De politie wil dat we de hoofdstraten schoonmaken, terwijl de organisatie van het feest wil dat eerst het plein schoon is. Iedereen wil zo snel mogelijk naar huis”, vat hij het probleem samen. Het wordt toch het Damrak. „Belangrijk voor de ambulances en de brandweer die veilig gebruik van de weg moeten maken”, zegt Dirksen. De glasscherven op de weg steken met gemak dwars door een autoband, zegt hij. Daarom worden op Nieuwjaarsdag de grote wegen schoongemaakt, en pas later in de week de buitenwijken.

Haddauoui Hoessein klimt in zijn veegwagen en drukt op knoppen en handels. Onder zijn voeten wordt het vuil met veel lawaai zijn wagen ingezogen. Door de glasplaat houdt hij de constante stroom rotzooi in de gaten. Alles wat op straat ligt, verdwijnt in de laadbak. Ook paraplu’s. „Die zijn gevaarlijk omdat ze soms blijven steken in de machine”, zegt Hoessein, die er geen probleem mee heeft om op 1 januari te werken. Een prachtbaan, noemt hij zijn werk. „Ik zie een hoop en zwaai naar mensen. Het gevoel dat je de stad opruimt, doet me goed.”

Hoofd veegdienst Jan Boekhoff is direct na de oliebollen in de auto gestapt. Hij bekijkt of zijn werknemers mogelijk assistentie van de politie moeten krijgen. „In het verleden is het wel eens misgegaan.” Mensen vallen zijn werknemers soms lastig. Dan gooien ze flessen of schelden ze. Hij begrijpt het niet. „Wij maken de stad schoon, en dan reageren mensen zo. Soms worden ze al agressief bij het zien van een zwaailicht.”

Toch signaleert Boekhoff een kentering. „Jaren terug was het veel erger. Ik denk dat het respect voor schoonmakers is toegenomen”, zegt hij achter het stuur van zijn personenauto terwijl hij rondjes door de binnenstad rijdt.

En inderdaad, op de Dam kunnen de schoonmakers tamelijk ongestoord hun werk doen. Slechts één keer schopt een man een fles naar een schoonmaker van Surinaamse afkomst. Die bezemt de scherven gedwee bij elkaar. Wel ergert hij zich. „De politie moet eigenlijk harder optreden”, zegt hij.

De gestegen acceptatie van de stadsreinigers komt volgens Boekhoff ook door „de cultuurverandering” bij de organisatie zelf. Deze is professioneler geworden, denkt hij. „We gaan anders met elkaar om dan jaren terug. Zo laten we geen scheten en winden meer, zoals vroeger.”

Bij de stadsreiniging van het centrum werken 350 mensen – voornamelijk mannen – die volgens Boekhoff „een redelijke afspiegeling van de samenleving” vormen. De helft van zijn medewerkers bestaat uit niet-westerse allochtonen. De laatste tijd melden steeds meer afgezwaaide havo- en vwo-scholieren zich aan, signaleert Boekhoff. „Wij bieden ze een opleiding, werk en een toekomst binnen het bedrijf.”

Jan Boekhoff kijkt na zes jaar stadsreiniging nergens meer van op. In de Haarlemmerstraat woedt een brandje op straat. „Valt mee. Dooft vanzelf.” Nog geen minuut later wordt een jongen op straat beroofd. Ladderzat rent het slachtoffer de dief achterna. Tijdens de achtervolging knalt het slachtoffer tegen een vuilnisbak en rolt over straat. „Moet je ook niet doen”, zegt Boekhoff laconiek.

Het is even na vier uur in de ochtend als Boekhoff weer naar huis gaat. Hij rijdt nog even langs de grote schuit waar de wagens hun vuil in legen, waarna deze naar de vuilverbranding vaart.

Op de Dam wordt het laatste glas opgezogen. De bezemwagens gaan door tot half acht ’s ochtends. Dan worden ze afgelost door de volgende ploeg van ongeveer zestig man.

Als een groot deel van Amsterdam nog in bed ligt, is bij Boekhoff de wekker al afgegaan. Om tien uur ’s ochtends is hij weer op de straat. „Je moet een beetje gek zijn voor dit werk. Vuil is leuk. Het is tastbaar werk als je het opruimt. Reinigen is een echt vak. Dat beseft niet iedereen.”

Hij denkt na en zegt: „Geinig eigenlijk. Ik heb in huis een hekel aan opruimen en ramenlappen vind ik een rotklus.”