De mensenrechten hebben verloren

Saddam Hussein was een genadeloze dictator. Past hem dus de zwaarste straf?

Nee, want op wraak kan men geen toekomst bouwen.

De beelden van Saddam Hussein die op een schijnbaar rustige wijze de strop om zijn nek gelegd krijgt, zijn inmiddels aangevuld met video-opnamen van aanwezigen die Saddam toeschreeuwen en naar de hel verwensen.

Door de executie is de discussie over de doodstraf weer aangezwengeld. De reacties van regeringsleiders waren grotendeels voorspelbaar en overeenkomstig hun opvatting over de doodstraf. De leiders van landen waar de doodstraf is afgeschaft, reageerden met afschuw; de meer begripvolle geluiden kwamen vooral uit landen die zelf ook nog gebruik maken van executiekamers ter bestraffing van bepaalde misdaden.

Zelfs als men voor het commune strafrecht de doodstraf afwijst, dient zich de vraag aan of er bij veroordeelden als Saddam Hussein geen uitzondering zou moeten worden gemaakt. Immers, misdaden tegen de menselijkheid zijn de zwaarste misdrijven die het (internationaal) strafrecht kent. Past daar dan ook niet de zwaarste straf?

Na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog werd op die vraag een bevestigend antwoord gegeven. Elf verdachten in Neurenberg werden ter dood veroordeeld en (middels de strop) geëxecuteerd; in Nederland werden tussen 1945 en 1952 onder het bijzondere strafrecht 152 mensen ter dood veroordeeld, waarvan er 40 werden gefusilleerd.

De neiging om in deze extreme gevallen naar de meest extreme straf te grijpen is groot en zelfs begrijpelijk, zeker vanuit het perspectief van de slachtoffers en hun nabestaanden. Wraakgevoelens zijn menselijk en volstrekt gerechtvaardigd gezien de omvang van het toegebrachte leed.

Los van de specifieke aanklacht waarvoor hij werd veroordeeld, de dood van 148 mannen en jongens, was Saddam Hussein waarschijnlijk verantwoordelijk voor een reeks andere gruwelijkheden. Ruim twintig jaar lang werd elke vorm van tegenstand in Irak op hardhandige wijze onderdrukt, met willekeurige detentie, weerzinwekkende martelingen en buitengerechtelijke executies. Honderdduizenden lieten het leven; een nog groter aantal moest vluchten. Amnesty heeft die wandaden vanaf het begin van de jaren tachtig uitgebreid gedocumenteerd en aan de kaak gesteld.

Het is dan ook niet uit mededogen met Saddam dat zijn doodvonnis moet worden afgewezen, maar juist uit respect voor de mensenrechten die deze dictator zelf met zo veel voeten getreden heeft. Bepaalde rechten, waaronder het recht op leven, moeten als absoluut worden beschouwd. Ongeacht de misdaden die iemand heeft gepleegd mag daarop door overheden geen inbreuk worden gemaakt. De doodstraf doet dat wel.

In de afgelopen vijftig jaar heeft het denken over de doodstraf zich sterk ontwikkeld. Er is een wereldwijde trend richting afschaffing. Op dit moment wordt in een grote meerderheid van landen, namelijk 128, de doodstraf niet meer toegepast. Slechts vier landen – China, Iran, Saoedie-Arabië en de VS – zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor 94 procent van alle (bekende) executies in de wereld.

Die trend weerspiegelt zich ook in het internationale strafrecht. In geen van de speciale oorlogstribunalen (Joegoslavië, Rwanda, Sierra Leone, Cambodja) behoort oplegging van een doodvonnis tot de mogelijkheden. Hoewel niet volledig onomstreden is die keuze bewust gemaakt. Vanwege het recht op leven, maar er zijn ook andere redenen.

Juist bij misdrijven tegen de menselijkheid, die qua uitvoering over het algemeen vele uitvoerenden kennen, met ieder hun eigen rol en verantwoordelijkheid, is waarheidsvinding cruciaal. Een samenleving kan alleen herstellen als duidelijk wordt wat er is gebeurd, wie daarbij betroken waren en op welke wijze. Daarvoor bestaan verschillende methoden, zoals waarheidscommissies, juridische procedures of een officiële geschiedschrijving zoals in Nederland verricht door het NIOD.

Vaak worden die methodes gecombineerd. Uitgangspunt is daarbij dat de onderste steen van de gruwelijkheden boven moet komen. In bisschop Tutu’s woorden: zonder waarheid geen vergeving. Met Saddams executie verdwijnt echter de noodzaak, of in ieder geval de aandrang, om door middel van een strafrechtelijk proces de volledige waarheid over het Irak onder zijn leiding boven tafel te krijgen. Daardoor wordt het wantrouwen gevoed en blijft er een extra splijtzwam in een toch al tot op het bot gefractioneerd land.

Dat wantrouwen wordt in dit specifieke geval nog eens versterkt door de vraagtekens bij de gang van het proces. De onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechters waren van het begin af aan twijfelachtig, de veiligheid van getuigen kon niet worden gegarandeerd. In het eerste jaar na zijn arrestatie had Saddam Hussein geen toegang tot zijn advocaten; gedurende het proces werden drie van hen doodgeschoten. De rechtsgang leek op een rush to judgment waarvan de uitkomst al vast stond.

Het supersnelle vonnis in hoger beroep, slechts iets meer dan een maand na de uitspraak in eerste aanleg, en de nog snellere tenuitvoerlegging van dat vonnis, bevestigen dit beeld. Zij bevestigen eveneens de juistheid van de eerdere roep om Saddam voor een internationaal tribunaal te berechten. Het Iraakse rechtssysteem was niet klaar om dit proces te voeren en zijn opbouw is nu zeer waarschijnlijk nog verder ondermijnd.

Respect voor de rechten van de mens moet centraal staan in het strafrecht, ook of misschien zelfs wel juist bij de berechting van misdrijven tegen de menselijkheid. Daar waar de nieuwe leiders een oordeel vormen over hun voorgangers, moeten zij laten zien waar de grenzen van het recht en de beschaving liggen. De doodstraf ligt duidelijk buiten die grenzen. Op alleen wraak valt geen toekomst te bouwen.

Bart Stapert is voorzitter van Amnesty International Nederland en werkte als advocaat voor terdoodveroordeelden in de VS.

    • Bart Stapert