Dat kan hier niet, democratie

Montesquieu legde de basis voor het cultuurrelativisme.

Op het slagveld in Irak krijgt hij gelijk.

Romeinse ruïnes in de Libanese stad Tyre. Montesquieu spiegelde zich in de achttiende eeuw aan de Romeinen. De jonge Franse Republiek moest worden gemodelleerd naar haar antieke voorganger. Foto AP A view of Roman era ruins in the southern coastal city of Tyre, Lebanon, Tuesday July 25, 2006. The fish are biting but the fishermen in this Mediterranean port city, an ancient city besieged by the likes of Babylon's Nebechenezzer and Alexander the Great, are landlocked, hunkered down in Tyre's port, too afraid to go out in their boats. War has shackled Tyre and the fishermen say their days begin much as they end, idle, frightened, and uncertain. (AP Photo/Lefteris Pitarakis) Associated Press

‘Altijd weer komen we uit bij de Romeinen’, schrijft Montesquieu in 1748 in zijn magnum opus De l’esprit des lois. Op de vertaling – Over de geest van de wetten – zien we hem inderdaad als Romein afgebeeld. Het haar kort en pruikloos, een scherp gesneden profiel, een toga rond de schouders.

Montesquieu was in de 18de eeuw niet de enige die zich aan de Romeinen spiegelde. Vooral het revolutionaire bewind aan het eind van de eeuw maakte de Romeinse geschiedenis tot dé inspiratiebron voor haar symbolen en iconografie. De jonge Franse Republiek moest gemodelleerd worden naar haar antieke voorgangster. Voor de Bataafse Republiek was het niet anders.

Voor Montesquieu beperkte de Romeinse geschiedenis zich echter niet tot de republiek. Aan haar viel het wel en wee van iedere politieke constellatie te illustreren. Veertien jaar vóór de publicatie van zijn grote werk had hij dat al eens gedaan in zijn Beschouwingen over de oorzaken van de grootheid en de ondergang van de Romeinen.

Ironischer nog was dat Montesquieu zich in Over de geest van de wetten eerder een partijganger van de monarchie dan van de republiek of democratie betoonde. Frankrijk was gebaat bij de gematigde regeringsvorm van het constitutionele koningschap. Democratieën gedijden veeleer op kleine schaal, terwijl uitgestrekte wereldrijken vroegen om het onverbiddelijke centralisme van een despoot.

Daarmee sloeg Montesquieu een nieuwe weg in bij het onderzoek naar de regels van het staatsbestuur. Dat was niet alleen verbonden met juridische wetten, maar ook met objectieve wetmatigheden, die nog het meest op natuurwetten leken. In zijn grote werk is de geest van de Verlichting dan ook in alles voelbaar. Montesquieu streeft naar een wetenschappelijkheid die steunt op onderzoek en bronnen. Voor hem kan de analyse van de werking van de staat niet langer een zaak zijn van morele speculatie.

Toch heeft zijn onderzoek ook een politieke en normatieve lading. Montesquieu was ongelukkig met het absolutisme waarmee de Franse troon steeds meer bevoegdheden had ontnomen aan de plaatselijke raden en de adel. Montesquieu, zelf edelman en al jong president van het Parlement van Bordeaux, betreurde die ontwikkeling niet alleen als belanghebbend lid van zijn stand. Ongebreidelde alleenheerschappij paste volgens zijn theorie eenvoudigweg niet bij de constitutie van Frankrijk. ‘Rivieren storten zich in zee, monarchieën gaan onder in despotisme’, schreef hij met een ogenschijnlijk fatalisme dat in werkelijkheid onverhulde kritiek op zijn vorst was.

Het is in die context dat de idee van de scheiding der machten verschijnt waarom Montesquieu beroemd is geworden. Ze duikt in de tekst bijna terloops op, in een verhandeling over het Engelse staatsbestel dat voor hem een jaloersmakend ideaal vertegenwoordigde. Helemaal gelijk had hij niet, maar Montesquieu’s roem overleefde glansrijk zijn vergissing. Al spoedig zou blijken dat niet het klimaat, de ‘volksaard’ of de grootte van een natie het succes of falen van haar politieke bestel bepaalde.

Toen Frankrijk daadwerkelijk in opstand kwam tegen het vorstelijk absolutisme koos het voor een republikeins bestel. In weerwil van Montesquieu’s theorie bleek het daarin op termijn zeer succesvol. Monarchieën in de ware zin van het woord vindt men in de westerse wereld ironisch genoeg alleen nog maar in mini-staatjes als Liechtenstein en Monaco. Wat daarvoor in andere landen (zoals Nederland) doorgaat, is in werkelijkheid niet meer dan een verkapte republiek met wat monarchale versiering. Hoewel Montesquieu duidelijk oog had voor de constitutionele monarchie (die hij verdedigde), lijkt hij zich geen voorstelling hebben kunnen maken van de parlementaire democratie als neerslag van de volkssoevereiniteit.

Het is die persoonlijke stem waardoor dit boek zo leesbaar én behartigenswaardig gebleven is. Want dwars door zijn beleden voorkeur voor het verlichte monarchisme heen vraagt men zich onwillekeurig af hoe diep die overtuiging bij Montesquieu gezeten heeft. Was het eigenbaat die hem tot zijn reserves jegens de democratie bracht – of angst voor de kroon die op zijn beurt het volk begon te vrezen? Over de beweegredenen van Montesquieu is veel gedebatteerd en al naar gelang het antwoord op die vraag komt hij daaruit naar voren als gematigd conservatief of heimelijke voorloper van de liberaal-democratische gedachte.

Zijn rudimentair cultuurrelativisme heeft niet veel uitgehaald. Cultuurrelativisten zijn we inmiddels in meer of mindere mate allemaal, hoe hard een nieuwe orthodoxie inmiddels ook om bestrijding ervan roept. Dat een staatsvorm als de democratie niet zómaar in een willekeurige natie kan worden neergeplant, is in Irak inmiddels pijnlijk duidelijk geworden.

Montesquieu zou niet geglimlacht hebben, maar wel gezucht: ook catastrofaal gelijk is gelijk. Zou hij zich in zijn hart inmiddels ook tot de liberale democratie hebben bekeerd? De gloedvolle woorden waarmee hij over de republikeinse deugden spreekt, maken hem bijna tot de Romein die hij desondanks niet zijn kan. Voor ons, neoliberale democraten, klinken zijn vermaningen intussen dringender dan ooit.

Soberheid past de republikein, benadrukt Montesquieu steeds. Te grote inkomensverschillen zijn funest. ‘Wanneer deze deugd verdwijnt, [...] maakt hebzucht zich meester van iedereen. [...] De republiek wordt geplunderd; van haar kracht resteert niets dan de macht van enkele burgers en de losbandigheid van allen.’

Een schematische weergave van Montesquieu’s ideeën zijn te vinden op: www.aaronweb.net/school/toon/gs/verlichters/montesquieu/

Charles de Montesquieu: Over de geest van de wetten. Vertaling en nawoord: Jeanne Holierhoek. Boom, 888 blz. € 64,50