Beau huilt om het nieuwe jaar

Zojuist schrok ik wakker uit een hockeyfinale. Waarom? Tegen wie? Geen idee. Het is ook eigenlijk te koud om mijn droom terug te halen, hier in deze donkere kamer in dit koude huis op deze Italiaanse berg (‘Global warming my ass’, zou je zeggen als je niet beter wist). In ieder geval, ik danste als een hinde over het veld, echt, ik was in bloedvorm. De wedstrijd was bijna afgelopen, de stand was gelijk en het publiek juichte aan één stuk door, op het hysterische af. Ik miste drie opgelegde kansen, achter elkaar, en toen schrok ik wakker.

Waarvan? Ik moest een plas doen, denk ik. Dat deed ik in ieder geval. Waarom maakte ik mijn droom niet gewoon af? Ik ging weer in bed liggen. Iedereen sliep. Mijn twee voortanden kreunden zachtjes. Sinds Oudjaar doen ze pijn. Ooit, op mijn achttiende, eruit geslagen door een hockeybal. Nou ja, dit zijn neptanden hoor, die oude zijn er niet meer. Die zijn ergens bij een tandarts in Santpoort-Zuid, in een archief met honderd andere, opgegeven tanden, apart in twee kleine plastic bakjes misschien wel, in hun eigen kistjes, een beetje gegeneerd, want de tandarts stuurde mij uiteindelijk weg omdat ik meestal niet kwam opdagen op mijn afspraken.

Nu, hier, in het donker, in het midden van de tweede nacht van 2007, op mijn Italiaanse berg waar ik, verslaafd aan global warming, zonder jas naartoe ben gegaan en mij sindsdien tevergeefs met slechts een trui, sjaal en muts probeer warm te houden, hoor ik mijn vier kinderen vreedzaam ademen als oude mannetjes, en pieker ik klaarwakker over het nieuwe jaar. Ik denk aan de lijstjes die ik gisteren heb gemaakt, met dingen erop waarmee ik moet stoppen of juist beginnen, en dat ik moet stoppen met het maken van lijstjes. Ik denk aan thuis, aan het verwende Nederland, met al z’n klachten, „kromgetrokken van de welvaart”, zoals Wim Kan eens zei.

Ik moet denken aan de foto in de Corriere della Sera van Saddam Hoessein met een strop om z’n nek. Een moordenaar en een slecht mens en het is goed dat hij weg is, maar toch mis ik ’m. Gek hè? En ik moet denken aan mijn goede vriend Alfred Kastanje. Hij zou zeggen: „Hé Beau, daar zit je, op je Italiaanse berg, kromgetrokken van de welvaart, rechtgetrokken door ambitie, kom van je luie reet en doe wat!”

De jaarlijkse existentialistische crisis.

En ik draai me op mijn zij en hou haar stevig vast. Een traan valt op haar schouder. Om haar en die vier jongens (eentje, gisteren, toen ik mij te gulzig inschonk: „Pappa, je champagne moet overgeven”), om mezelf, om dromen die niet uitkomen en om hem, de flipperkoning van Arnhem, die er nog steeds is, in mijn hoofd, op haar hals, terwijl hij dit jaar tien jaar dood zal zijn en ergens in de buurt van Arnhem in de grond ligt, in een prachtige helling vol met bladeren, tussen wijd uiteen staande, grote bomen. Ik huil, maar het mag, het is een nieuw jaar.

Elk einde is een nieuw begin, zeggen mensen graag, maar ik zie in elk begin vooral een nieuw einde. Iets dat weg is en nooit meer terugkomt. Soms is dat maar goed ook, maar het voelt toch alsof je iets verspeeld hebt. En nou weg dat schrift.

Beau van Erven Dorens

    • Beau van Erven Dorens