Er is een ware polarisatie in voorbereiding – het gevaar van gewelddadige escalatie

Nederland is een gelukkig land, zeggen de cijfers. Maar dit jaar heeft ook een radicalisering laten zien. Het racistische geweld is in opmars, betoogt H.J.A. Hofland.

Alweer heeft Nederland een dramatisch jaar achter de rug. Twee verkiezingen met sterk verschillende opkomst en uitslag. Drie mensen, Taïda Pasic, Ayaan Hirsi Ali en Kalou, die naar onze burgerlijke maatstaven sieraden voor de natie zouden moeten zijn, vertrokken naar andere oorden omdat hun papieren niet in orde waren. (Wat, denk je onwillekeurig, zou Albert Einstein bij ons overkomen zijn?) Een minister die in haar hoedanigheid van partijcoryfee voor de televisie een greep naar de macht deed die mislukte. En bijna anderhalve maand na de verkiezingen: misschien het begin van een onwaarschijnlijke formatie, waarin een profeet van het verdwenen poldermodel (Herman Wijffels, speciaal overgekomen uit Amerika) twee grote verliezers met één kleine winnaar in een kabinet zal moeten lijmen. In Afghanistan een opbouwmissie die tot vechtmissie is geworden. Maar gelukkig geen voetbaldrama’s waarbij een belangrijk kampioenschap ons op het nippertje ontging. Wel hadden we opnieuw de supporters die elkaar verbitterd te lijf gingen, maar dat is normaal en intussen is er een voetbalwet in de maak.

Het gaat goed in dit land. Aan de vooravond van de feestdagen voorspelden de media opnieuw dat er nog nooit in de vaderlandse geschiedenis zo veel, zo lekker en voor zulke kapitalen gegeten en gedronken zou worden. Dat doen de media trouwens al jaren, en opnieuw is het waar. Het Nederlandse volk, heeft een betrouwbaar bureau vastgesteld, hoort met het Finse, het Noorse en nog een paar tot de gelukkigste ter wereld. Een escalatie in geluk. De economie groeit, de werkgelegenheid stijgt. Je zou niet zeggen dat de politieke leiders van dit volk nog maar een maand geleden verknoopt waren in een worsteling die ook de grootste schriftgeleerden voor problemen stelde. En weliswaar hebben, volgens buitenlandse waarnemers, de Nederlanders met hun eeuwenoude tolerantie, de onbeschoftste omgangsvormen van de westelijke wereld, maar dat zet geen domper op het nationaal geluk en de welvaart.

Het raadsel Nederland. Wat is ons overkomen? Dat is de nationale vraag die we ons sinds 2002 ieder jaar omstreeks deze tijd weer stellen. Toen ging de gevestigde orde van het poldermodel in ‘de opstand der burgers’ ten onder. Opstand van alle burgers? Dat weten we niet. Het verschijnsel had in ieder geval een naam gekregen. In dat jaar zijn we van een taboe verlost. Pim Fortuyn noemde in een vraaggesprek met de Volkskrant de islam een achterlijke godsdienst. Daarmee had hij onder woorden gebracht wat menig Nederlander al jaren had vermoed of gedacht. Fortuyn zei nog veel meer dat tenslotte velen uit het hart was gegrepen, en vooral zei hij het op een manier, in een terminologie, die on-Haags was.

Dat veroorzaakte een bijval die hem zelf verraste. Eerst wilde hij minister-president worden. Maar kort voor hij werd vermoord, heeft hij een paar intieme vrienden, Harry Mens en Albert de Booy, laten weten dat hij nu het volk had wakker gemaakt en dat daarmee zijn taak voorbij was. Een historisch feit dat habitueel vergeten wordt. De lijst Fortuyn kreeg 26 zetels. Binnen vijf jaar hebben zijn erfgenamen deze erfenis tot nul zetels teruggebracht. Zelden zal een politiek kapitaal in zo korte tijd zo grondig naar de bliksem zijn geholpen.

Maar ondanks zijn verdwenen medestanders heeft Fortuyn ook iets blijvends achtergelaten. Ten eerste het taboe dat zijn reputatie beschermt. Kritiek op de profeet Fortuyn is vandaag de dag niet gezond. En ten tweede heeft hij, zonder het te bedoelen, de discriminatie, de praktische apartheid, zelfs de rassenhaat geemancipeerd. Zo hoort hij tot de ontwerpers van de nieuwe politieke kaart van Nederland.

In bijna iedere westerse democratie komen twee typen politici voor, de radicalen en de tactici. Bij dit onderscheid gaat het niet om de inhoud van de politieke boodschap, maar om de manier waarop ze hun doel willen bereiken. Het poldermodel was de triomf van de tactici. Ze kwamen uit een verscheidenheid van politieke richtingen, maar ze deelden de overtuiging dat alleen met geduldig schipperen en het gezond verstand de consensus kon worden gevestigd die uitvoerbaarheid garandeert. Omstreeks de eeuwwisseling was dat model vastgelopen, en na Wim Kok bleek er geen politicus met voldoende statuur en creativiteit te zijn om de consensus een nieuwe impuls te geven.

Fortuyn heeft bewezen dat het Nederlandse radicalisme over een grote verborgen reserve beschikte. Die moest hoe dan ook zichtbaar worden. Ook als hij niet was verschenen hadden de radicalen, groeiend op een nieuwe voedingsbodem, weer een kans gekregen. De grote vraag na Fortuyn was of dit radicalisme zou uitdoven. Dat is niet gebeurd. De drie kabinetten-Balkenende zijn niet in staat geweest de oorzaken van het nieuwe radicalisme te verzwakken en evenmin is de, in Nederland altijd noodzakelijke, consensus van een nieuw fundament voorzien.

De consensus ligt altijd in het grote midden. De uitslag van de laatste verkiezingen laat zien dat dit centrum juist is verzwakt. Bij een opkomst van meer dan tachtig procent (wat voor deze tijd zeer groot is; in Amerika verschijnt iets meer dan de helft) hebben de drie partijen van het midden (CDA, PvdA en VVD) verloren. Ongetwijfeld is de schade voor de liberalen beperkt door mevrouw Verdonk, die een rechts-populisme in de praktijk brengt. De winst ging naar de flanken, Geert Wilders die we gerust de nieuwe exponent van het Fortuynisme mogen noemen, de SP die alles te danken heeft aan Jan Marijnissen, en de ChristenUnie met de markante André Rouvoet. We moeten nog zien hoe hij zich met zijn radicale afwijzing van abortus en euthanasie in een coalitie zou weten te wringen.

De winst voor de rechts-radicalen is van meer betekenis dan het opzienbarende resultaat van de SP. Geert Wilders heeft zijn succes te danken aan zijn onverbiddelijke houding tegenover de moslims. Geen nieuwe moskeeën, hoofddoekjes lust hij rauw, en als we nu geen maatregelen nemen, is Nederland in 2050 een islamitisch land. Rita Verdonk wordt geïdentificeerd met haar compromisloze immigratiebeleid. Ik denk er niet aan om beiden van racisme te betichten. Niettemin verlenen ze met hun radicalisme een schijn van legitimatie aan ongure bewegingen die zich de afgelopen vier jaar snel in het land hebben verspreid.

Discriminatie is een nationaal verschijnsel geworden. Volgens onderzoek van Amnesty International denkt 27 procent zeer negatief over allochtonen en is 10 procent ronduit racistisch. Van de Marokkaanse jongeren is 55 procent werkloos, bij de Turken is het 44 procent. Voor allochtonen is het moeilijk om een hypotheek af te sluiten. Dat zijn de cijfers. Voor wie wil weten hoe dat in de praktijk eruitziet, zijn er bijvoorbeeld weblogs, gemakkelijk op internet te vinden. Het rauwste, het platste racisme grijnst je tegemoet. Ook schrijvers van ingezonden brieven in gedrukte media kunnen er wat van. De omgangsvormen zijn niet alleen ‘verruwd’, het verbaal discriminerend en ronduit racistisch geweld is in krachtige opmars.

Niet alleen ‘de’ allochtonen zijn het doelwit. Ook de vertegenwoordigers van de traditionele consensuspolitiek worden aangevallen, verdacht gemaakt, belasterd. Hebben slappe knieën, komen uit ‘Het land van Ooit’, zijn verraders van de Verlichting en vijanden van de vrijheid van meningsuiting. Burgemeester Job Cohen, die zich aan het begin van zijn carrière had laten ontvallen dat hij het als zijn opdracht zag „de boel bij elkaar te houden”, wordt in deze radicale kringen gezien als prototype van de ‘sussende’, verwerpelijke politiek.

Zeker zijn in de laatste jaren van het poldermodel grote fouten gemaakt met betrekking tot de minderheden. Maar het is propagandistische onzin te beweren dat we in Nederland ‘niet mochten zeggen wat we dachten’. De grote tekortkoming van de politiek was dat toen niet de consequenties uit onontkoombare waarnemingen werden getrokken. In die zin is het rechtse radicalisme van nu het gevolg van de laksheid van toen. Maar daarmee is de vraag niet beantwoord wat de nieuwe radicalen zouden doen als ze het voor het zeggen hadden.

De cijfers leren dat de situatie van de ongeveer 360.000 Turken en 315.000 Marokkanen in Nederland voor het merendeel slecht is. Dat wisten we en we zouden het nog beter moeten weten, nu we sinds een jaar of vier kunnen zeggen wat we denken. Inburgeringscursussen helpen wel, maar lossen het probleem niet op. Bij de oudere generaties blijft de taalachterstand een handicap. Dan zijn er de schoolverlaters. De criminaliteit onder de jeugd is hoog. En bij orthodoxe moslims is de godsdienst een ernstige handicap bij de aanpassing. Dit alles en nog veel meer wisten we. De vraag blijft: wat doen we eraan. Allemaal eruit jagen?

Mij lijkt het vruchteloos om, zoals dat in radicale kringen wordt voorgestaan, de islam tot achterlijke godsdienst te verklaren. Heel goed kan ik me voorstellen dat Hirsi Ali een persoonlijke rekening met de moellahs van haar geboorteland te vereffenen heeft. Dat had de romancier Antoon Roothaert ook toen hij in 1936 de antikatholieke roman Doctor Vlimmen schreef. In 1951 voorzag W.F. Hermans in zijn roman Ik heb altijd gelijk de katholisering van Nederland binnen een halve eeuw. Het is geweldig meegevallen, hoewel de paus nog altijd voorstander is van verboden die Roothaert bestreed. Maar beide schrijvers hebben geen bekeringspartij opgericht. Daarmee was Hirsi Ali feitelijk wel bezig.

Een groot deel van de verwarring in de Nederlandse politiek wordt op het ogenblik veroorzaakt door degenen die denken dat ze hun overtuiging kunnen opleggen aan het hele volk om een minderheid per geforceerde revolutie in het gareel te brengen. Zouden ze hun zin krijgen, dan zou deze minderheid zich heftig verzetten. Dat is de ware polarisatie die op het ogenblik in voorbereiding is. Krijgt die verder vorm, dan is het niet uitgesloten dat we op den duur een gewelddadige escalatie tegemoet gaan.

Er zijn mensen die denken dat ons systeem van evenredige vertegenwoordiging niet meer beantwoordt aan de eisen van de tijd. Wat dan? De burgers dichter bij de politiek! Hoe? Door hun via een districtenstelsel meer invloed te geven op hun eigen lot? Door de politici voor te schrijven er in hun campagne geen mediashow van te maken? Verzin een nieuw systeem en stel je voor hoe lang het duurt voor de politici zullen besluiten of het wel of niet moet worden ingevoerd. Dat duurt in Nederland jaren.

De waarde van ieder democratisch systeem wordt bepaald door de manier waarop het wordt gebruikt. Politiek is een langzaam boren in hard hout, schreef Max Weber. Dit is een waarheid die de komende jaren meer dan ooit voor Nederland geldt. Het klinkt nu profaan, maar ieder beroep heeft zijn elite. Dat geldt voor artsen en voetballers zo goed als voor politici en journalisten. Instant radicalisme is hier tot mislukken gedoemd. Als het, zoals nu, zijn kans krijgt, is het tragische dat de mislukking pas wordt bewezen door het aanrichten van grote schade.

H.J.A. Hofland is columnist voor NRC Handelsblad.