Wat Gandhi en Hitler verbond

Groentepakket, op boerderij Landzicht in Strijen Foto Merlin Daleman Groentepakket. Boerderij Landzicht, Strijen. 24-05-06 © Foto Merlin Daleman
Groentepakket, op boerderij Landzicht in Strijen Foto Merlin Daleman Groentepakket. Boerderij Landzicht, Strijen. 24-05-06 © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Tristram Stuart: The Bloodless Revolution. Radical Vegetarians and the Discovery of India. HarperCollins, 628 blz. € 42,95

Tolstoj was het, Leonardo da Vinci en Charles Darwin. Isaac Bashevis Singer en Ralph Waldo Emerson. Bernard Shaw, Charlotte Brontë, Albert Einstein en Albert Schweitzer. Mark Twain was het, Socrates en Plato waren het, en natuurlijk Hitler en Gandhi. Maar anders dan dit lijstje doet vermoeden, is het vegetarisme geen periodiek opduikende bevlieging van enkelingen. Het is een idee dat zo oud is als de westerse beschaving. Van de Egyptische tot de Griekse oudheid tot de Bijbel, overal bestond het denkbeeld van een paradijselijk, harmonieus verleden waarin de mens gelukkig en bevrijd was. Niet te hoeven moorden om te kunnen eten hoorde daarbij.

Vegetarisme is evenwel geen westers idee. Het is een oosters concept dat door het Westen eeuw na eeuw is opgepakt en bestudeerd. Vaak werd het weer verworpen, maar niet zonder diepe sporen na te laten. Als een eeuwenlange ideeënstrijd rond worst en biefstuk, zo typeert de Britse wetenschapper Tristram Stuart het vegetarisme althans in zijn boek The Bloodless Revolution, Radical Vegetarians and the Discovery of India, waarin hij het debat over vegetarisme in voornamelijk Groot-Brittannië in de 17de, 18de en 19de eeuw beschrijft. Nog meer dan in het historisch overzicht van het vegetarisme dat zo’n tien jaar geleden verscheen, The Heretics’ Feast van Colin Spencer, is The Bloodless Revolution pure ideeëngeschiedenis. Stuart behandelt het vegetarisme als de kern van het vraagstuk van de juiste houding van de mens tot de natuur. Je vindt in zijn boek dus weinig tot niets over menukaarten en slachthuizen, maar van alles over medische-, en kerkgeschiedenis, politiek, filosofie en wetenschap. Van Bacon (de filosoof) en Isaac Newton tot Descartes, Rousseau en Malthus. Ook tref je er vroege, soms verbluffend visionaire staaltjes ecologie en duurzaamheidstheorie. Stuart toont hoe een idee zich elke eeuw opnieuw kan aandienen, en hoe voor- en tegenstanders soms dezelfde geschriften in hun voordeel interpreteren. Het vegetarisme is hiervan een prachtig voorbeeld; de Bijbel blijkt in de loop der tijden uitgelegd als vegetarisch manifest, maar ook als aansporing voor onbeperkt spareribs eten.

Vooral dient het vegetarisme Stuart als casus voor een verhaal over culturele projecties en culturele kruisbestuiving. Zijn boek begint bij kluizenaar John Tryone, ‘the Brahmin of Britain’, die een imaginair reisverslag schreef over hoe de Griekse filosoof Pythagoras de Indiërs het vegetarisme liet ontdekken (terwijl het omgekeerde dichter bij de waarheid ligt). Het eindigt bij Mahatma Gandhi, die er pas na het lezen van de essays van Henry David Thoreau en een bezoek aan Londense vegetarische restaurants van overtuigd raakte dat een vegetarische levenswijze en een moreel superieure doctrine van soberheid India het verst zou brengen.

De rode draad in het boek is het hindoeïstische concept van ahimsa of geweldloosheid en de bijbehorende holistische visie van de mens als onderdeel van een harmonische schepping waarin alles met alles samenhangt. Ahimsa kwam Pythagoras en Alexander de Grote al ter ore. Later werd het door westerlingen herkauwd, verteerd en uitgespuugd in talloze pamfletten, medische verhandelingen en theologische en filosofische bespiegelingen, en telkens zette het de judeo-christelijke opvatting van de mens als kroon op de schepping op losse schroeven.

Het opkomend protestantisme, bijvoorbeeld, veroorzaakte ook op het gebied van het dagelijks menu een schisma in de christelijke wereld. Nooit vlees eten werd door katholieken gezien als een ketterse belediging van Gods overvloed. Helaas weidt Stuart niet uit over fascinerende protestantse extremisten als de foliatanessen, nonnen die probeerden te overleven op blaadjes alleen; of over de adamieten, die Eden probeerden terug te krijgen door – in de 17de-eeuwse Britse winters – naakt te leven. Stuart heeft een voorkeur voor solitaire excentriekelingen als Thomas Bushell, (1594-1674) een volgeling van Francis Bacon die als een Thoreau avant la lettre zijn eigen Walden creëerde op een eenzame klif. Ook niet mis is George Cheyne (1671-1743), wellicht Europa’s eerste dieetgoeroe, beroemd tot in Italië en zelfs Amerika. Deze Falstaff-achtige figuur met zijn ‘Bag-Pipe Cheeks, Double Triple Chin’ en ‘Pot-Gut Belly’ kwam op een keerpunt in zijn leven toen hij vegetariër werd en ‘begon weg te smelten als een sneeuwbal in de zomer’. Cheyne ontwikkelde zich tot societydokter, met zijn eigen ‘crazy carcass’ als reclame. Zijn diagnostische methodiek was onorthodox: hij proefde het bloed van zijn cliënten.

In zijn boek voert Stuart telkens nieuwe excentrieke figuren en revolutionaire genootschappen op. Voor hen was het niet-eten van vlees een politieke daad, gericht tegen de excessieve luxe van vlees en een keuze voor geweldloosheid en egalitarisme. Deze voorkeur voor kleurrijke tegendraadsheid is niet moeilijk te begrijpen. Tristram Stuart studeerde cum laude af aan Cambridge University, maar duikt in krantenartikelen op internet ook op als woordvoerder van ‘freegans’, voedselactivisten die uit idealistische overwegingen leven van wat ze vinden in de afvalbakken van supermarkten en restaurants.

In het nogal onuitputtelijke The Bloodless Revolution valt van ‘freeganeske’ creatieve anarchie overigens weinig te bespeuren. Stuart koppelt de drie eeuwen van zijn onderzoeksterrein keurig aan de drie voornaamste argumenten voor het vegetarisme: het morele argument (vlees eten is zonde, en nodeloos wreed); het gezondheidsargument (vlees eten belast het spijsverteringsstelsel); en het ecologische argument (vlees eten legt beslag op onze natuurlijke hulpbronnen).

In de tweede helft van de 19de eeuw, bijvoorbeeld, doemde door de sterk uitdijende bevolking het probleem op van de beperkte natuurlijke hulpbronnen, waarmee we nu nog altijd worstelen. Gesteund door de medicus Erasmus Darwin, grootvader van Charles, wees een groep vegetarische nudisten rond de dichter Shelley er bijvoorbeeld op dat het voeren van graan aan dieren verspilling van hulpbronnen was; een hectare graan kan meer mensen voeden dan de varkens die met datzelfde graan worden grootgebracht. De groeiende wereldbevolking zou op den duur dus alleen gevoed kunnen worden wanneer iedereen zich zou afkeren.

Shelley’s overtuiging stond haaks op de voorspellingen van Malthus, die niet geloofde in de vegetarische utopie en die hongersnood als onafwendbaar zag. In de 20ste eeuw gebruikten zowel Hitler als Gandhi Malthus’ ideeën voor hun ideologieën van respectievelijk moordzucht en vegetarische vrede, schrijft Stuart in de epiloog. De uitgebreide dierenbeschermingswetten van de nazi’s en de vegetariër Hitler bewezen daarbij dat diervriendelijkheid kan samengaan met ongekende wreedheid jegens mensen.

Zo etaleert Stuart onverbloemd tegenstrijdigheden en verwarring in het denken over het vegetarisme. Maar daardoor springt des te meer in het oog hoe weinig vooruitgang er is geboekt. De kernargumenten zijn in de loop der eeuwen wel bijgesteld en verfijnd, maar niet wezenlijk veranderd. Dezelfde zaken worden tot op heden herkauwd.

Die herhaling maakt het lezen van The Bloodless Revolution, ondanks de goudmijn aan onbekende geschiedenis, tot een wat bloedeloze aangelegenheid. Het feit dat Stuart telkens benadrukt hoezeer het vegetarisme de loop der geschiedenis heeft beïnvloed, geeft bovendien de indruk van wishful thinking. Die bewering is in dit boek ook nauwelijks te toetsen, omdat de schrijver, gevangen in zijn catalogusdrift en het vuur van zijn betoog, onvoldoende afstand neemt. Tristram Stuart stelt er bijvoorbeeld eer in om het denken van Rousseau te verklaren aan de hand van diens fascinatie voor borsten. Maar hij vraagt zich niet af waarom de keus voor een bewust vleesloos bestaan altijd beperkt is gebleven tot postmaterialistische maatschappelijke elites – tot middeleeuwse monniken, 18de-eeuwse denkers en hedendaagse bewuste eters. In een boek over vegetarisme is zoiets heel onbevredigend.