Trippen met witte stippen

Achttiende-eeuwers zagen in de paddogebruiker een edele wilde, vertelt een studie naar trance die het hoofd helder houdt.

Paddestoelensoorten die de halucinogene stof psilocybine bevatten Foto J. Meijvogel
Paddestoelensoorten die de halucinogene stof psilocybine bevatten Foto J. Meijvogel Meijvogel, J.

Andy Lester: Shroom. A Cultural History of the Magic Mushroom. Faber & Faber, 384 blz. € 22,99

Drugstoeristen komen niet alleen naar Nederland voor de coffeeshops. Ook voor de paddo’s, hallucinogene paddestoelen die je vers of gedroogd kan eten. Sinds 1993 zijn paddo’s hier te koop in tientallen smartshops. Ene Seth Stevenson bijvoorbeeld beschreef in een reiscolumn op internet hoe hij trippend door Amsterdam dwaalde. Zijn paddestoelen gingen werken toen hij in een kledingwinkel stond. Onheilspellend begonnen de rekken met jurken heen en weer te zweven. Eenmaal buiten namen Stevensons gedachten een vlucht: hij begreep plotseling zijn plaats in het universum en werd overvallen door een diepe empathie met de mensheid. Hij beval het andere reizigers van harte aan.

In vergelijking met genotmiddelen als drank en cannabis zijn psychedelische paddestoelen een elitedrug, maar de laatste decennia neemt hun populariteit toe. Recent onderzoek wees uit dat zo’n 13.000 Nederlanders de daaraan voorafgaande maand paddo’s hadden gebruikt, vooral jongeren tussen de 16 en 19 jaar. Zij aten bijvoorbeeld een portie van het in Nederland voorkomende puntige kaalkopje, de psylocibe semilanceata, of zijn Mexicaanse broertje, de psylocibe cubensis. In totaal bestaan er zo’n tweehonderd soorten hallucinogene paddestoelen. De meest gebruikte soorten bevatten psilocybine, dat de ongeveer zes uur durende tripeffecten veroorzaakt. Kleuren, vormen, afstanden en tijd worden anders ervaren, de gedachten gaan alle kanten op – vaak die van het spirituele.

De gevaren van paddogebruik voor de volksgezondheid zijn relatief klein. In 2003 meldden zich slechts 145 mensen met paddoproblemen bij de verslavingszorg, een aantal dat in het niet valt bij het aantal probleemgebruikers van cocaïne of alcohol. Wel kan psilocybine zorgen voor een bad trip. De drug is gevaarlijk voor mensen met een aanleg voor psychosen of depressies.

De Britse historicus Andy Letcher beschrijft de achtergronden van de moderne paddorage in het meeslepende boek Shroom. . Alhoewel Letcher overduidelijk zelf de nodige paddestoelentrips doorstond, is zijn boek nuchter, scherp en vermakelijk. Allereerst werkt Letcher enkele hardnekkige paddomythes uit de weg. Dat de oude Grieken tijdens religieuze rituelen paddestoelen consumeerden, is zeer onwaarschijnlijk. Ook de Britse druïden waren geen voorbeeld van een vroege, magische paddestoelencultuur. Vikingstrijders (‘berserkers’) holden niet trippend het slagveld op, maar dronken gewoon alcohol. Wel zijn er aanwijzingen dat er zowel in Siberië als in Zuid-Amerika een lange traditie bestaat van het gebruik van shrooms, zoals paddo’s in het Engels heten.

Vliegenzwam

In Siberië aten sjamanen de giftige vliegenzwam om in een bovenwereldlijke trance te geraken, constateerden Europese ontdekkingsreizigers in de 16de eeuw. Muzikanten gebruikten er wat van ter inspiratie, en arbeiders maakten er zwaar lichamelijk werk mee draaglijk. Tijdens bruiloften stond het gepeupel buiten met een bekertje te wachten tot de feestgangers naar buiten kwamen om te plassen. Ze dronken hun urine op, om mee te kunnen trippen van de werkzame stoffen in de vliegenzwam, die onbelemmerd de nieren passeren.

n diezelfde tijd stuitten Spaanse kolonisten op drugsgebruik bij de Zuid-Amerikaanse Azteken. Die noemden hun hallucinerende paddestoelen ‘Gods vlees’. De royalty gebruikte het om tijdens feesten goed te kunnen dansen, hun priesters namen het om in contact te treden met de goden of om toekomstvoorspellingen te doen.

Het exotische drugsgebruik werd door de meeste ontdekkingsreizigers, evenals door de katholieke en Russisch-orthodoxe kerken, beschouwd als duivels en barbaars. De Russische keizerin Catherina de Grote (1729-1796) bond de strijd aan met de Siberische vliegenzwamcultuur, terwijl de Spaanse veroveraars de hele Azteekse cultuur vernietigden – hun drugsgebruik incluis. In de 18de eeuw echter raakten verlichte westerse denkers, onder wie Voltaire en Kant, geïnteresseerd in het Siberische sjamanisme. Sjamanen belichaamden een verwerpelijk soort irrationaliteit, maar fascineerden ook door hun goddelijke en creatieve krachten. Ze werden druk besproken in koffiehuizen en salons, en langzaam groeide een romantische beeld van de sjamaan als noble savage.

Rond 1800 ontstonden ook de eerste medische beschrijvingen van westerlingen die hallucinerende paddestoelen gebruikten. Van een door propagandisten veronderstelde paddestoelenrage in Victoriaans Engeland was echter geen sprake. Het ging om mensen die per ongeluk aan het hallucineren sloegen, na het eten van bijvoorbeeld een omelet die was bereid met verse paddestoelen. Ze geloofden hun artsen, die zeiden dat ze vergiftigd waren, en namen de gevaarlijke paddestoelen waarschijnlijk nooit weer.

Een echte paddestoelencultuur kan pas ontstaan, betoogt Letcher, wanneer er een culturele context voor bestaat: theorievorming die aan de hallucinerende ervaringen een positieve betekenis geeft. Een eerste aanzet voor zo’n culturele context was rond 1800 gegeven door de romantici, maar hij kreeg pas echt kracht in het Westen tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw.

In 1957 publiceerde het populaire Amerikaanse tijdschrift Life een baanbrekend artikel over de magic mushroom. Gordon Wasson, een rijke Amerikaanse bankier, beschreef hoe hij naar Mexico was gereisd op zoek naar resten van het oude inheemse paddestoelengebruik aldaar. Hij was er een wijze oude genezeres tegengekomen, María Sabina, die indrukwekkende paddestoelen-sceances hield waarin ze blijk gaf van een diepe spiritualiteit, die in het Westen verloren zou zijn gegaan.

Voor het eerst werden hallucinerende paddestoelen aan het brede publiek gepresenteerd als een positief fenomeen: ze waren niet gevaarlijk, maar juist bevrijdend en leerzaam. Hun ‘psychedelische’ werking opende deuren in de geest die anders niet snel open zouden gaan.

Thuis in New York gaf Wasson paddenstoelen-sceances voor intimi, waarbij hij geluidsopnames presenteerde van María Sabina in trance. Het Mexicaanse stadje Huautla, waar María Sabina woonde, werd na 1957 overstroomd door hippies. Ook de latere hogepriester van de psychedelische revolutie, Timothy Leary, raakte door het Life-artikel van Wasson geïnteresseerd in psychedelica. In 1960 probeerde hij de magische paddestoelen uit en voelde zich gered van een ‘geestelijke dood’. Hij was destijds hoogleraar psychologie aan de prestigieuze universiteit Harvard, waar hij een onderzoeksproject opzette rond psilocybine.

Dat Leary een dergelijk project van de grond kreeg, is niet zo opzienbarend als het nu lijkt. In de jaren vijftig was een grote club westerse wetenschappers geïnteresseerd in psychedelica, zoals het chemische tripmiddel lsd (ontdekt in 1943) en ook psilocybine. Sommige psychiaters gaven hun patiënten psychedelica als hulpmiddel bij de psychotherapie.

Leary sloeg de brug naar het grote publiek. Iedereen zou psychedelica moeten proberen, vond hij, om te ontsnappen aan de maatschappelijke rolpatronen waarin we allemaal vast zaten. Leary legde een direct verband tussen psychedelica en maatschappijkritiek.

De magische paddestoel werd echter al snel overschaduwd door het veel sterkere lsd, hét symbool van de protestgeneratie van de jaren zestig. Tussen 1975 en 1985 werden de paddo’s echter herontdekt. In Engeland ontstond de levensstijl van de ‘hippie-travellers’, die van het ene naar het andere alternatieve festival reisden en onaangekondigd neerstreken in weilanden of bossen. In de herfst konden ze hun magische paddestoelen daar zelf plukken. De politie trad hard tegen hen op.

Lsd

De travellers, zoals Letcher prachtig beschrijft, gingen zichzelf zien als nazaten van een oude heidense levensstijl. Net zoals in het verleden de Druïden en heksen waren onderdrukt door de Romeinen en Christenen, zo werden paddogebruikers nu onderdrukt door het ‘fascistische’ Engeland van Margaret Thatcher. De Amerikaanse schrijfster Marion Bradley populariseerde deze romantische mythologie in haar bestseller The mists of Avalon (1984). Daarin houdt de muze van koning Arthur, de keltische priesteres Morgaine, contact met de wereld der geesten via magische paddestoelen. Paddo’s gingen een verloren paradijs symboliseren vol oerspiritualiteit, wijze tovenaars en vredelievende feeën.

De huidige populariteit van paddo’s, besluit Letcher, toont aan dat het moderne Westen niet zo ‘onttoverd’ is geraakt als rationalistische vooruitgangsdenkers een eeuw geleden voorspelden. Kinderen én volwassen verslinden fantasy-boeken en -films, het geloof in beschermengelen en spiritisme is weer helemaal terug. Letcher spreekt van een ‘hunkering naar zingeving’. Wie door deze hunkering wordt bevangen, is bij de paddo’s aan het juiste adres, maakte de Amerikaanse John Hopkins universiteit onlangs bekend. Onderzoek wees uit dat paddo’s een ‘universele mystieke ervaring’ opwekken. De onderzoekers zagen in paddo’s zelfs een mogelijk hulpmiddel in de behandeling van depressieve klachten.

De deur naar medisch- wetenschappelijk psylocibine-onderzoek zat lange tijd stevig op slot. Momenteel staat hij weer op een kier. Nu het drugsgebruik in het Westen is genormaliseerd, is nieuwe ruimte ontstaan voor nuchter historisch en medisch onderzoek naar drugs, onderzoek dat uitstijgt boven de traditionele verkettering dan wel verheerlijking ervan.