De doodskist onder het bruidsbed

Frida Vogels: Dagboek 1960 - 1961. G.A. van Oorschot, 590 blz. € 27,50 (Dagboek 1954 - 1957 tot 1 februari 2007 € 17,50)

Frida Vogels heeft zich in haar dagboeken tot dusver niet uitgelaten over humor. Vermoedelijk legt ze zich daar bij het schrijven ook niet op toe. Toch spreekt uit haar dagboekaantekeningen, dat blijkt ook weer uit het derde deel, Dagboek 1960 - 1961, een bepaald humoristische en ook tamelijk onthechte kijk op de wereld. Vogels heeft veel aan te merken op alles en iedereen, op zichzelf ook vooral, maar haar toon blijft steeds ferm en fris en wordt nooit klagerig, sentimenteel of verongelijkt. Dat houdt de lezer bijna 600 bladzijden lang bij de les, al betrapte ik mezelf op de neiging om bij de zoveelste beschrijving van de verwikkelingen binnen een bevriende Italiaanse familie enkele alinea’s over te slaan.

Toch doet men zich met zo’n bladerende manier van lezen al gauw te kort, want juist in die uitgebreide en gedetailleerde beschrijvingen – van familietradities, ziektegeschiedenissen, vetes en ontmoetingen met uiteenlopende mensen – doet zich Vogels’ anekdotisch en droogkomisch vernuft gelden. Zij schrijft geanimeerd over de doodskisten die veel mensen in Zuid-Italië onder het huwelijksbed hebben staan en waarin ze, in afwachting van toekomstige lijken, hun winterkleren bewaren. Al even monter doet ze verslag van de ongemakkelijke verhouding met zowel haar Amsterdamse vader als haar Castellinaanse schoonvader. Haar schoonvader blijft haar, meent ze zelf, beschouwen als een vreemde eend in de bijt, ‘als een soort heks’. Omgekeerd meent ze dat hij ‘in enige mate krankzinnig’ is. Ook wijdt ze intrigerende passages aan de staking van fabrieksarbeiders en aan de drijfveren van communisten en fascisten.

Op 18 januari 1960 gaat zij met haar man Enzo op bezoek bij een gezamenlijke kennis in Milaan, die een muzikale avond heeft belegd. Een zangeres brengt liederen ten gehore van Brahms, ‘met een mond die in alle vormen open kon’. In haar dagboek noteert ze ook: ‘Ik zat op de canapé en keek met een enigszins stereotiepe glimlach toe.’ We zien het zo voor ons. Eerlijk en geestig, is de kritiek die ze op zichzelf heeft in de beschrijving van haar vriendschap met een zekere Dea. ‘Mijn vriendschap met Dea bestaat mijnerzijds voor een groot deel uit niet nagekomen beloften.’ Dat Dea zelf ook nogal een eigenaardige dame is, blijkt wel in de loop van het dagboek. Zij deed een tijdlang aan paardrijden, in Rome, waarbij ze vooral plezier beleefde aan het galopperen. ‘Ze had zich als een zak op en neer laten ploffen en het heerlijk gevonden. Alleen had ze na afloop telkens hevige buikpijn, en na een paar keer ging het niet meer over.’ Bij doktersbezoek bleek dat door het galopperen al haar ingewanden van hun plek waren geschud. ‘Ze is nu nog onder behandeling en mag natuurlijk niet meer paardrijden’, heet het dan droogjes.

Zelf heeft Vogels geen hoge pet op van wat ze haar ‘geschrijf’ noemt, maar ze besteedt er wel veel tijd aan en ze wil het ook wel degelijk zien als ‘litteratuur’. Als zij en Enzo in 1961 van Milaan naar Bologna verhuizen, omdat hij daar nieuw werk heeft gevonden, wil zij een kamer voor zichzelf om ongestoord te kunnen schrijven, in navolging van Virginia Woolf, wier dagboek zij bewondert. Ook hecht ze aan haar huurkamer in Amsterdam, waarin ze zich enkele weken per jaar terugtrekt. De reactie op haar aantekeningen, als ze iets laat lezen aan Enzo, vriend Han (Voskuil) of broer Michiel, is onveranderlijk lauw, mogelijk uit angst dat zij op het idee zou kunnen komen om die hoogstpersoonlijke observaties te publiceren.

Wat overheerst in dit dagboek is de gedachte dat Vogels tekort schiet, op alle fronten. Als echtgenote, als zus, als dochter, als vriendin, als Italiaanse, als Amsterdamse, en vooral als schrijfster. Omdat het haar, naar haar eigen idee, ontbreekt aan inlevingsvermogen, kan zij geen afgeronde karakteriseringen geven van iets of iemand en dus ook niet van zichzelf. Daardoor slaagt zij er maar steeds niet in de balans op te maken van haar leven, wat in haar ogen het doel is van ‘litteratuur’. En dus moeten haar lezers het doen met details en losse observaties. Haar vele deelwaarnemingen zullen haar in 1960 en 1961 wel eens tot wanhoop hebben gedreven, maar mij stemmen ze, bijna vijftig jaar later, juist vaak vrolijk.