De man die de Herenclub redde

De patiënten van de Amsterdamse internist Julius Roos hadden aan één arts genoeg. Roos deed bijna alles zelf, tegen de specialiseringstrend in. Nu hij met pensioen gaat, herontdekken verzekeraars de brede specialist.

Julius Roos genas een Amsterdamse elite van intellectuelen en kunstenaars maar voelt zich het meest verwant met de communistische huisarts, wijlen Ben Polak. (Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel) Dr.Julius Roos,internist. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam, 13 december 2006
Julius Roos genas een Amsterdamse elite van intellectuelen en kunstenaars maar voelt zich het meest verwant met de communistische huisarts, wijlen Ben Polak. (Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel) Dr.Julius Roos,internist. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam, 13 december 2006 Mentzel, Vincent

Julius Roos, internist, laat zijn praktijk zien. In het souterrain: röntgenapparaat, endoscoop, laboratorium voor bloedanalyse. Begane grond: hart- en longonderzoek. Op de bel-etage: zijn spreekkamer. Er staan stalen buismeubelen uit de jaren vijftig, er ligt een Perzisch tapijt op de grond. Achter de wand met olijfgroen behang is de kast waarin zijn vader zich verstopte als de politie voor de deur stond, in de oorlog. De vader van Julius Roos, ook internist, was een Volljude. Maar zijn vrouw, een verpleegster, niet. Dat hielp hem er doorheen.

Weteringschans, schuin tegenover het Rijksmuseum in Amsterdam. Hier begon de praktijk, in 1939. In 1972 nam Julius Roos hem over. En aanstaande maandag sluit hij hem, omdat hij met pensioen gaat. En dat was dan de laatste praktijk in Nederland met een internist die bijna alles zelf kan en zelf doet, ook echo’s maken. Het apparaat daarvoor heeft Julius Roos naast zijn bureau staan, zo vaak gebruikt hij het.

Hij doet de praktijk over aan het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, locatie Prinsengracht. Daar werkte hij al mee samen. De internisten daar gaan proberen te doen wat Julius Roos altijd deed en wat vroeger alle internisten deden. Alle onderzoeken in één keer en dan, als het even kan, meteen de diagnose en het behandelplan. Efficiënt, klantvriendelijk en al bijna weer van deze tijd. One shop, one stop.

Maar zo praat Julius Roos er niet over. Hij heeft geen klanten, hij heeft patiënten. Die vinden het, zegt hij, prettig als ze niet voor elke foto en elk elektrocardiogram een afspraak hoeven te maken. En zelf vindt hij het interessant en nuttig om niet alleen naar een ontstoken darm of falende lever te kijken, maar ook naar de mens daaromheen.

Komt er iemand met geelzucht zijn spreekkamer binnen, dan popelt hij – zo zegt hij dat – om er na de anamnese meteen zijn echo-apparaat op te zetten. Zijn het galstenen? Is het een infectie? Een lever vol uitzaaiingen? Kanker in de alvleesklier? Een internist in een ziekenhuis stuurt de patiënt door naar de radioloog. Die kijkt en vult daarna een formulier in – klaar. Julius Roos hoopt dat hij zijn patiënt al tijdens het onderzoek gerust kan stellen.

Nee, vroeger was niet alles beter. Julius Roos heeft zelf twee nieuwe heupen gekregen en dat was veertig jaar geleden nooit gelukt. Hij wil alleen zeggen dat er door specialisering ook iets verloren is gegaan. Een internist die alles van maag en darmen weet, kijkt niet ook even naar het hart of de longen. Het mag niet eens. Julius Roos steekt zijn hand uit en zegt wat internisten zeggen als ze niets kunnen vinden bij een patiënt. Wat u heeft, valt niet binnen mijn terrein, ik verwijs u naar mijn collega, goedemiddag.

Hij noemt dat protocollen afwerken. En niemand die zich nog echt verantwoordelijk voelt voor een patiënt. Volgens hem is negentig procent van alle diagnostiek en alle behandelingen in de praktijk van een internist zo eenvoudig dat mensen daar niet voor naar het ziekenhuis hoeven.

Een van de oudste patiënten van Julius Roos is Hans van Mierlo, voormalig partijleider van D66 en minister. Van Mierlo komt zo vaak bij Roos dat hij soms zijn huissleutel pakt als hij voor de deur van de praktijk staat en vergeet dat hij moet aanbellen. De eerste keer kwam hij in 1972, Julius Roos was net begonnen. Van Mierlo herkende hem van de geboorte van zijn oudste dochter, in 1966. Het meisje lag niet goed, de moeder moest met loeiende sirene naar het ziekenhuis, en daar stond Julius Roos, nog in opleiding. „Hij keek tussen de dijen van mijn vrouw. Ik dacht: kijk de andere kant op.”

Hans van Mierlo werd in 1981 – hij was minister van Defensie – ziek na een bloedtransfusie. In het zakje bloed dat hij kreeg, zat het virus dat hepatitis-C veroorzaakt. Dat heette toen non-A non-B, omdat het nog niet geïdentificeerd werd. Het leidde tot een ernstige ontsteking van de lever. Vanaf dat moment is hij altijd onder doktersbehandeling gebleven.

„Dat virus intrigeerde Julius zeer”, zegt Van Mierlo. „Hij correspondeerde erover met artsen in de Verenigde Staten, waar het virus zich ook gemanifesteerd had. Hij stuurde bloedmonsters op. Toen we na zes jaar wisten wat het was, wist hij ook de prognose. Ik zou levercirrose krijgen en dan zou ik doodgaan.”

Zes jaar geleden heeft Van Mierlo een nieuwe lever gekregen. Maar die is, zegt hij, nu ook al weer aangetast door hetzelfde virus. Dat verdwijnt niet door een transplantatie.

Julius Roos, zegt Van Mierlo, is dokter zoals dokters vroeger waren. „Altijd klaarstaan voor hun patiënten, nooit zeker van hun nachtrust. Daardoor kregen ze goddelijke allure. Niet door geld of showing off, maar door ontberingen. Die verleenden hun gezag. Paternalistisch, een dokter die voor jou de beslissingen neemt. Ik voel me er oneindig veel zekerder bij dan bij een dokter die mij als zijn klant ziet.” Hij vindt het jammer dat dat niet meer van deze tijd is.

Ze raakten bevriend. En daardoor raakte Julius Roos ook bevriend met Harry Mulisch. Die kwam in 1982 voor het eerst bij hem, met een zeurende pijn in zijn rechterzij. Het was geen maagzweer, zoals Mulisch hoopte, maar maagkanker. Harry Mulisch vertelt graag dat Julius Roos zijn leven redde, want die zag het meteen.

Julius Roos werd lid van de Herenclub waar Van Mierlo en Mulisch al in zaten. Kunstenaars en intellectuelen die nog altijd elke maandagavond met elkaar eten en dan over alles praten, behalve – zeggen ze – over vrouwen, voetbal en auto’s. Een paar weken geleden waren ze bij uitgeverij De Bezige Bij aan de Van Miereveldstraat, omdat het schilderij dat twaalf jaar geleden van hen werd gemaakt daar nu is opgehangen. Mulisch wees om zich heen en zei dat geen van die mannen zonder Julius Roos nog geleefd had.

Julius Roos moet daar een beetje om lachen. Maar hij is, zegt hij, geen society-arts, als iemand dat soms mocht denken. Hij voelt zich meer verwant met de Amsterdamse huisarts Ben Polak, die communist was en in de jaren vijftig wethouder was in Amsterdam en later Eerste-Kamerlid.

Ben Polak werkte in de oorlog met Julius Roos’ ouders samen in de Hollandsche Schouwburg, waar Amsterdamse joden werden opgesloten voordat ze naar kamp Westerbork en verder gingen. Zo veel mogelijk baby’s werden ’s nachts naar de crèche aan de overkant van de straat gesmokkeld en vandaar naar onderduikadressen gebracht.

Abram de Swaan, universiteitshoogleraar sociale wetenschap en neef van Julius Roos, zegt dat Julius Roos „gewoon een echte Amsterdamse algemene internist/cardioloog is, bij wie iedereen komt en iedereen dezelfde zorg krijgt, ook de mensen die voorheen in het ziekenfonds zaten”. Het is, zegt hij ook, „altijd volkomen duidelijk geweest” dat Julius Roos zijn vader zou opvolgen en net zo’n man zou worden als hij. Erudiet, bevlogen.

Abram de Swaan vertelt over het „brutale verhaal” dat Roos drie jaar geleden schreef voor de opiniepagina van NRC Handelsblad. Het ging over de invloed van de farmaceutische industrie op ontwikkelingen in de geneeskunde. Artsen zijn daardoor zo „gehersenspoeld” dat ze menen het goede te doen als ze resultaten van onderzoekstrials, die voor een grote groep gelden en zijn georganiseerd door de industrie, toepassen op individuele patiënten.

Geneeskunde, schreef Roos, is maar voor een deel wetenschap. Het is ook ervaring, kennis, intuïtie en „ware belangstelling” voor patiënten. Dat was moedig van zijn neef, zegt De Swaan. Maar hij vindt het onzin om te denken dat mensen zoals Julius Roos niet meer van deze tijd zijn. „In elke generatie zie je hetzelfde percentage mensen dat zo is.”

„Julius is ouderwets”, zegt Teri Brouwer, internist in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. „Maar hij is ook heel modern. De gynaecologen bij ons doen het ook, zelf echo’s maken. Ze zijn zo gaan samenwerken dat hun patiënten in één ochtend alle onderzoeken kunnen krijgen.”

Het lijkt Teri Brouwer prachtig om te werken zoals Julius Roos werkt. Alleen: ze kan het niet. Het vak is zo breed geworden, zegt ze, dat niet één internist alles nog beheerst. „Ik kan nog net zelf een thoraxfoto maken. Maar ik kan hem niet beoordelen. En een echo van een radioloog is beter dan die van een internist.” Ze lacht. „Maar ik denk niet dat die beter is dan een echo van Julius Roos.”

Zij is een van de artsen die Julius Roos nu opvolgen. Roos gaat hen nog een paar maanden helpen, in loondienst (alle artsen in het OLVG zijn in loondienst). Maar zijn patiënten, zegt ze, zullen eraan moeten wennen dat ze door een paar dokters behandeld zullen worden, niet meer door één dokter.

Toch kan die situatie terugkeren. Internisten en andere artsen zullen de komende jaren weer praktijken aan huis kunnen beginnen. Dat komt door de verzekeraars. In de jaren negentig maakten ze het voor specialisten onmogelijk om zich zelfstandig te vestigen door de kosten van apparatuur en onderzoek alleen nog maar aan ziekenhuizen te vergoeden. Julius Roos kreeg het geld daarvoor van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Maar nu willen ze die kosten ook weer aan specialisten vergoeden. Misschien is dat wel goedkoper.

Herman Flens van Agis, de grootste zorgverzekeraar in Amsterdam en omstreken, zegt dat de eerste aanvragen van artsen al zijn binnengekomen. „We voeren geen anti-beleid. Sommige specialismen lenen zich er goed voor. En de apparatuur wordt steeds handzamer.” Als ziekenhuizen gaan zien wat „de toegevoegde waarde voor de klant” van zo’n praktijk kan zijn, zegt hij, dan zullen ze de „urgentie” gaan voelen om hun poliklinieken zo te organiseren dat daar ook meteen alle onderzoeken gedaan kunnen worden. En dat specialisten meer gaan samenwerken.

Herman Flens, zelf arts, begint over de groeiende groep ouderen die voor hun diabetes naar de ene dokter moeten, voor hun bloeddruk naar de andere arts en voor hun benauwdheid weer naar een andere. „Er zijn mensen die zestig keer per jaar in het ziekenhuis komen, bij negen specialisten.” Voor die patiënten zou één internist die alles kan een uitkomst zijn.