Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

We leven veel te snel – zonder gaten in de tijd staan we met een enorme snelheid stil

Het lijkt wel alsof we musici zijn geworden in een orkest dat twee keer zo snel is gaan spelen. Er is altijd zo veel dat gedaan moet worden. Zoals woensdag vroeger gehaktdag was, zo zou dat nu een e-mailvrije dag moeten worden – om af en toe nog te kunnen genieten van het tragere levensritme van vóór de computer en de mobiele telefoon.

Thomas Hylland Eriksen

Noors sociaal-antropoloog. Auteur van onder meer ‘De tirannie van het moment’, ‘Ethnicity And Nationalism’ en ‘What Is Anthropology? Nu gasthoogleraar aan de Vrije Universiteit.

Stel, u krijgt het verzoek de geschiedenis van de afgelopen honderd jaar te schrijven. De uitgever mikt op een bestseller en vraagt u om in één woord uw perspectief samen te vatten. Welk woord zou u dan kiezen? Oorlog? Technische ontwikkeling? Mondialisering? Bevolkingsgroei? Milieucrisis? Ik zou het woord versnelling kiezen.

Vrijwel elke vorm van menselijke activiteit is de laatste eeuw enorm versneld. Versnelling lijkt zelfs een wezenskenmerk van de moderne tijd te zijn. Begin 19de eeuw maakten de toenmalige intellectuelen zich al ongerust over de psychologische gevolgen van die nieuwe uitvinding, de ‘stoomkoets’ – of de trein, zoals we hem noemen. Ze dachten dat deze een reissnelheid mogelijk maakte die schadelijk was, omdat de reiziger zijn blik niet meer vrij en op zijn gemak over het omringende landschap kon laten dwalen.

De gemiddelde snelheid van de eerste treinen was zo’n 25 kilometer per uur. Ze zou al snel toenemen, evenals de meeste dingen die we doen. Met de bijna gelijktijdige introductie van het stoomschip en de telegraaf in de jaren dertig van de 19de eeuw versnelde de communicatie enorm. De productie versnelde met de industrialisatie en, veel later, met de automatisering. De oorlog versnelde dankzij de tank, het gevechtsvliegtuig en de middellangeafstandsraket. Nog maar honderd jaar geleden stond de snelheid van de oorlog gelijk aan de snelheid van een goed getraind paard.

De opvallendste vormen van versnelling in onze huidige maatschappij hebben te maken met informatie en communicatie. Amper twintig jaar geleden, toen ik als jong antropoloog veldwerk op Mauritius deed, hield ik contact met familie en vrienden door middel van luchtpost. De brieven waren gemiddeld zo’n anderhalve week onderweg tussen Europa en de Indische Oceaan, en als we elkaar binnen een paar dagen antwoordden, ontwikkelde zich een maandelijks communicatieritme. Als ik mijn moeder wel eens belde om haar te zeggen dat ik nog leefde, duurde het zowat een dag eer ik zover was: eerst moest ik halverwege de ochtend een bus van het dorp naar de stad nemen, dan moest ik door het drukkende, groezelige Port-Louis naar het hoofdpostkantoor lopen en in de rij op mijn beurt wachten, voordat mijn naam werd afgeroepen en ik eindelijk een paar minuten via een slechte lijn kon praten, terwijl de roepies als bezetenen wegstroomden. Na het gebruikelijke bezoek aan een café en een hobbelige busrit naar huis was het altijd laat in de middag voor ik weer in mijn dorp was.

Vijftien jaar later had ik uit elk redelijk dorp op Mauritius eenvoudig toegang tot mijn e-mailadres en kon ik uit het palmbos van mijn keuze zonder probleem naar huis bellen. Er waren geen ingebouwde vertragingsmechanismen meer die de communicatie met de buitenwereld afremden.

Zoals de meesten van ons vijftien jaar geleden nooit e-mail ontvingen, zo hadden de Chinezen tien jaar geleden nog nooit van sms’en gehoord. Vorige maand werden in China 15 miljard sms’jes verstuurd. Het communicatieritme versnelt niet alleen in de westerse wereld. Berichten worden in steeds kleinere pakketjes geperst om in de slinkende tijd te passen die we ter beschikking hebben.

Ik krijg wel eens een standje dat ik te snel praat. Mijn vaste antwoord is, naast het plichtmatige excuus, dat ik misschien wel te vlug spreek, maar u ook. De gemiddelde spreeksnelheid is sinds 1950 met meer dan 50 procent toegenomen. We hebben altijd haast – we slapen zelfs minder dan honderd jaar geleden, ruwweg anderhalf uur minder in ons deel van de wereld.

De wereld waarin we tegenwoordig leven wordt verbonden door tal van directe netwerken en we krijgen al jarenlang te horen hoe bevrijdend deze zijn en hoe ze onze mondigheid bevorderen. Toch voelt menigeen van ons zich helemaal niet zo bevrijd. In plaats daarvan voelen we ons dikwijls overwerkt en gestrest. Burn-out is inmiddels een normale diagnose. Maar eigenlijk is een burn-out een metafoor: de natuurkunde heeft ons geleerd dat hitte en snelheid één en hetzelfde zijn. Beweging produceert warmte, op het niveau van het molecuul dan wel op dat van een vast lichaam. Hoe sneller iets beweegt, hoe warmer het wordt. Een burn-out is, met andere woorden, het gevolg van te veel snelheid en niet genoeg traagheid. In deze tijd van flexibele arbeid, directe communicatie en gedereguleerde economieën zijn er geen grenzen aan de arbeid, en trouwens ook niet aan andere bezigheden. De mogelijkheden zijn oneindig. Er is altijd wel iets wat we hadden kunnen doen of hadden moeten doen, liefst gisteren. We doen ons werk sneller en efficiënter dan ooit tevoren, dankzij de nieuwe technieken.

Maar in plaats van te profiteren van deze toegenomen efficiëntie door minder te werken, vullen we de bespaarde tijd op met meer en snellere bezigheden. De snelheid bereikt duizelingwekkende hoogten. Velen van ons hebben steeds meer het gevoel dat we musici zijn geworden in een orkest dat opdracht heeft om tweemaal zo snel te spelen.

Dit is een van de grote paradoxen van de informatierevolutie: hoe meer tijd we besparen, hoe minder tijd we voorhanden hebben. In zekere zin is tijdbesparing het tegendeel van geldbesparing: hoe meer geld u spaart, hoe meer geld u verzamelt. Maar op die manier is tijd niet te verzamelen. In de roman Momo van Michael Ende worden de dorpelingen overgehaald tijd te gaan besparen om efficiënter te worden. Hierdoor worden ze rijker en minder gelukkig dan ze eerst waren. Ze hebben geen tijd meer om elkaars verhalen aan te horen, om doelloze maar aangename sociale bezoekjes af te leggen, in de natuur te wandelen en naar de vogels te luisteren, enzovoorts. De tijd die de dorpelingen ogenschijnlijk hebben bespaard is uiteraard verloren; die is nooit meer terug te krijgen.

Zo heeft de informatierevolutie ons misschien iets over schaarste geleerd. Nog maar enkele generaties geleden waren de schaarse middelen meestal voedsel, huisvesting, materiële zekerheid. In ons deel van de wereld zijn die problemen opgelost. Toen ik opgroeide, in de jaren zeventig, dacht menigeen van ons – naar later bleek terecht – dat schone lucht en onbedorven natuur binnenkort schaarse goederen zouden worden.

Inmiddels zien we als gevolg van de informatierevolutie een opeenstapeling van een heel nieuwe reeks schaarse goederen. Ze zijn onzichtbaar en niet te kwantificeren, maar daarom niet minder reëel. Wie zou vijftig jaar geleden hebben geloofd dat de vrijheid van informatie een schaars middel zou worden? Maar dat is wel gebeurd. Toen mijn vader in de jaren vijftig een jongeman was, begon hij boeken te kopen. Hij was opgegroeid in een arbeidersgezin met weinig boeken en zijn honger was onstilbaar. Ik weet nog dat zijn idee van een leuke zaterdag toen ik klein was bestond uit een tochtje naar de stad, een paar bezoekjes aan boekhandels en een café, en dan weer naar huis, blij zwaaiend onder het lopen met een zware tas zojuist gekochte boeken.

Mijn idee van een leuke zaterdag is nagenoeg hetzelfde, maar met één verschil: na de bezoekjes aan de boekhandels ga ik liefst met lege handen weer naar huis. Hieruit blijkt dat mijn filters nog werken en me in elk geval tot op zekere hoogte in staat stellen me te beschermen tegen het volstrekt verwarrende informatiebombardement. Als het kon, zou ik me liever een half jaar in één dialoog van Plato verdiepen dan in diezelfde tijd vijftig boeken lezen. Maar dat zou onmogelijk zijn. Er is altijd te veel dat gedaan moet worden en de tijd is schaars.

Filters en vrijwaring van informatie worden iets begerenswaardigs. Misschien zouden we een e-mailvrije dag moeten invoeren, alleen maar om ons te herinneren aan de tragere ritmen die het menselijk leven vóór de computer en de mobiele telefoon bepaalden. ’s Woensdags?

We weten allemaal dat sommige dingen alleen langzaam kunnen worden gedaan. Kinderen krijgen bijvoorbeeld, of een boom kweken, of getrouwd zijn, dat zijn trage bezigheden en als een huwelijk mislukt, is mijn vermoeden dat dit in veel gevallen komt door de versnelling: de echtgenoten hebben het zo druk dat ze elkaar eigenlijk nooit leren kennen. Zelfs onszélf leren kennen lukt alleen maar langzaam.

Lezen was ook altijd een trage bezigheid. Nog tot in de 19de eeuw was deep reading een vertrouwde en gerespecteerde bezigheid. Het behelsde de trage lezing van een boek, uiteindelijk meer dan eens, om steeds dieper de inhoud te doorgronden. In onze tijd lijkt een cursus snellezen belangrijker, ook al weten we dat iets wezenlijks verloren gaat.

Als dingen die alleen langzaam kunnen worden gedaan versneld worden, gaat er iets verloren. Brieven schrijven was een kunstvorm, maar ik betwijfel of het erg bevredigend zou zijn om over een paar generaties een selectie van mijn e-mails te lezen. Een gerookte ham moet als het goed is minstens een jaar hangen; de normale gerookte ham in mijn supermarkt heeft überhaupt amper gehangen; in plaats daarvan wordt het proces versneld door er zout water in te spuiten.

Alles versnelt, en gaten worden opgevuld. Waar ik woon, lopen mensen ’s ochtends niet meer zomaar naar de tram. Ze lopen naar de tram en praten intussen in hun mobiele telefoon. Ga naar een strand op de Canarische Eilanden en u ziet gebruinde Noord-Europeanen met hun mobieltje onder handbereik. Het lijkt alweer lang geleden dat we op vakantie onbereikbaar waren, en dus vrij van druk van buiten.

De tijd die we eigenlijk hadden moeten gebruiken voor alles of niets – rust, verveling, spel, overpeinzing, liefde, creativiteit – wordt doorlopend gevuld. Misschien raken we wel zo gewend aan een leven van doorlopende activiteit of mediaconsumptie dat we de stilte en rust van Kerstmis niet meer kunnen verdragen? Een paar jaar geleden schreef De Zweedse etnoloog Orvar Löfgren een zeer onderhoudend essay ‘De grote Zweedse kerstruzie!’. Met Kerstmis komt de familie bij elkaar en wordt er overvloedig en traag gegeten, en geknabbeld op de kerstsnoepjes en -koekjes, zonder dat er televisie wordt gekeken. Dit soort entourage is volgens Löfgren een vruchtbare bodem voor verhitte discussies en ruzies. We zijn gewoon niet meer gewend om gezamenlijk vrije tijd door te brengen en hebben geen idee wat we met dat soort tijd aan moeten.

Er bestaan gaten in de tijd, lang of kort, waarin niets bijzonders gebeurt. Deze zijn zonder meer essentieel voor liefde, vrede en creativiteit. Een maatschappij zonder zulke gaten staat met een enorme snelheid stil, want dat is een maatschappij waarin niemand in staat is tot een gedachte langer dan vijf centimeter.

Als iets voortdurend gebeurt, gebeurt er eigenlijk niets. Dat komt doordat er alleen iets kan gebeuren wanneer er niets bijzonders gebeurt. Misschien is dat wel het wezen van Kerstmis.