Het Iraanse volk mort

In Iran heerst ontevredenheid. Het oliegeld zou nu eindelijk bij de gezinnen terechtkomen. Maar de gerechtigheid kwam niet. En de autoriteiten wonen nog steeds in paleizen.

De prijzen zijn erg hoog, de rijken kunnen alles krijgen en de anderen niet. Het is allemaal in de handen van God, die beslist, zeggen ze in Teheran. Foto Reuters De prijzen in Iran stijgen sterk. De bevolking wacht op betere verdeling van olie-inkomsten. Foto Reuters A poor Iranian girl stands outside a shopping centre in northern Tehran December 7, 2006. REUTERS/Morteza Nikoubazl (IRAN)
De prijzen zijn erg hoog, de rijken kunnen alles krijgen en de anderen niet. Het is allemaal in de handen van God, die beslist, zeggen ze in Teheran. Foto Reuters De prijzen in Iran stijgen sterk. De bevolking wacht op betere verdeling van olie-inkomsten. Foto Reuters A poor Iranian girl stands outside a shopping centre in northern Tehran December 7, 2006. REUTERS/Morteza Nikoubazl (IRAN) REUTERS

De relatief hoge opkomst – 60 procent – bij twee recente Iraanse verkiezingen vormt volgens Iraanse regeringsfunctionarissen een duidelijk signaal aan het Westen dat Iran een democratie is. Een ander signaal is de (voorlopige) uitslag van de verkiezingen voor de gemeenteraad van Teheran. Maar dat konden de functionarissen kennelijk niet over hun lippen krijgen omdat het hun chef, president Mahmoud Ahmadinejad, betreft. Door hem gesteunde radicaal-conservatieve groepen (partijen zijn er niet in Iran) leden vrijdag een nederlaag. Winnaars waren pragmatische conservatieven. Zelfs de hervormers, die in de voorgaande verkiezingen niet alleen wegens manipulaties met de kandidaatstelling maar zeker ook wegens hun verdeeldheid en gebrek aan daadkracht waren weggevaagd, maakten een comeback. Ahmadinejads factie, de ‘Zoete geur van de dienstbaarheid’, kwam op de derde plaats.

De Iraanse democratie is zeer geclausuleerd, in die zin dat de almachtige Opperste Leider het kennelijk nuttig vond dat de kiezers hun mening konden uiten, maar die mening zelf was geen verrassing. Wat dat betreft had Ahmadinejad zijn nederlaag kunnen zien aankomen, wordt er in Teheran gezegd. Veel Iraniërs zijn ontevreden over de president. Niet zozeer om de anti-Israëlische tirades waarmee hij het Westen tegen zich innam, maar om zijn economische resultaten. Sociale en economische gerechtigheid beloofde hij hun in zijn verkiezingscampagne in 2005, het oliegeld – Iran is immers de op drie na grootste olie-exporteur van de wereld – zou nu eindelijk bij de gezinnen binnenkomen. Daarom stemden veel Iraniërs op hem, de nieuwkomer op het Iraanse toneel, die nog niet door loze beloften en corruptieaffaires was besmet. „Wat wij nodig hebben is gerechtigheid”, riep hij. „Wij vragen de autoriteiten waarom zij in paleizen wonen!” Maar de autoriteiten wonen nog steeds in paleizen, en voor de meeste Iraniërs is het leven net zoals onder andere presidenten alleen maar duurder geworden.

Volgens de officiële cijfers bedraagt de inflatie op dit moment zo’n 12 à 13 procent. Maar het Iraanse onafhankelijke parlementslid professor Mohammad Koshchereh maakt bezwaar tegen de berekeningswijze van de regering. Zij houdt bijvoorbeeld geen rekening met de kosten van huisvesting en maakt geen onderscheid tussen de verschillende inkomensklassen, zegt hij in zijn kantoor in de Universiteit van Teheran, waar hij doceert. Volgens Koshchereh, voorzitter van de parlementscommissie voor economische zaken, bedraagt de inflatie voor de lagere inkomensklassen nu in werkelijkheid zo’n 30 tot 40 procent.

Nadat Opperste Leider ayatollah Ali Khamenei hem in het najaar had opgeroepen iets te doen aan de stijgende prijzen, voerde Ahmadinejad een boze publieke dialoog met de staatstelevisie, die hij ervan beschuldigde met haar berichten over de prijzen de inflatie te stimuleren. Daar moest de televisie mee ophouden, vond hij. De staatstelevisie is bepaald geen oppositiemedium; zij staat onder controle van de Opperste Leider en wordt door conservatieven geleid. Televisiedirecteur Ezatollah Zarghami diende Ahmadinejad meteen van repliek. „De omvang van de inflatie is duidelijk”, zei Zarghami tegen het officiële persbureau IRNA. „Misschien heeft de president niet de tijd gehad om naar alle televisieprogramma’s te kijken of misschien zijn de rapporten die hem bereiken niet volledig.”

„Alles is ontzettend duur”, bevestigt politieman Ali Moussavi uit Kashmar. Of neem verpleegster Zohra Sadeghi uit Teheran. Zij woont met haar twee broers en een zus in een appartement samen, want zij verdienen elk afzonderlijk te weinig om op zichzelf te wonen. Mevrouw Rahimi, ook uit Teheran, constateert zakelijk: „De prijzen zijn erg hoog, de rijken kunnen alles krijgen en de anderen niet. Maar niet iedereen hoeft vlees te eten. Het is allemaal in de handen van God, die beslist.”

„Stijgende prijzen en duurte zijn werkelijkheid hoewel de regering probeert te zeggen dat het niet zo is”, zegt parlementslid Saeed Abu Taleb thuis in zijn appartement in Teheran. De conservatief Abu Taleb, oorspronkelijk filmmaker, speelde in 2005 een belangrijke rol in de verkiezingscampagne voor Ahmadinejad, maar hij is gedesillusioneerd. „Wij weten dat de prijzen wél stijgen. Deze regering probeert net als de vorige regeringen de werkelijkheid te ontkennen. Ze is niet in staat haar leuzen uit te voeren. Ze zei het grote oliegeld naar de mensen thuis te brengen en ervoor te zorgen dat de prijzen niet zouden stijgen. Maar we weten allemaal wat de resultaten zijn.”

De directe interventiepolitiek van Ahmadinejad is de schuld van de economische problemen, aldus Abu Taleb. De president heeft een einde gemaakt aan de trend onder voorgaande regeringen naar liberalisering van de volstrekt vastgelopen, centraal geleide economie. Ahmadinejad pompt weer oliegeld rechtstreeks in speciale projecten voor armen, maar economen zien verkwisting die de inflatie stimuleert, ook voor de armen. De econoom Ali Badry: „Iedere keer dat de president naar de provincie reist, neemt hij een zak met geld mee. Allemaal politieke gebaren.”

Professor Khoshchereh geeft een voorbeeld. „Toen de regering probeerde de stijging van de zuivelprijzen ongedaan te maken, lukte dat onmiddellijk. Maar veel producenten gingen vervolgens over op de vleesproductie. Daardoor ontstond een tekort aan zuivelproducten en stegen de prijzen weer. Dus deze ingreep had uiteindelijk een tegenovergesteld effect.”

Volgens Khoshchereh zijn de problemen al meteen begonnen met Ahmadinejads verkiezingsleuzen. „De leuzen gingen allemaal over grote doelen, en als hoogleraar economie vind ik dat verkeerd. Er werd wel geroepen dat er sociale gerechtigheid moest komen, maar niets concreets gezegd over de weg daarheen. In plaats van te praten over sociale gerechtigheid kan men beter de volkshuisvesting aan de orde stellen.”

Wat parlementslid Abu Taleb een interventionistische politiek noemt, verwoordt Khoshchereh nog wat scherper: „De president heeft zijn persoonlijke grillen en idealen tot basis van zijn besluitvorming gemaakt, zonder dat wetenschappers of vakmensen eraan te pas komen. Zijn ideeën past hij in in de praktijk toe, en dat kan heel wat nadelige effecten hebben.”

Volgens de econoom Badry stoort de regering van Ahmadinejad zich niet aan het vijfjarenplan – dat een erfenis is van de vorige regering – maar ook niet aan de door het parlement toegestane begroting: „Die was na een half jaar al uitgegeven en dan wil ze méér geld.” Daar is ze nu op afgerekend door de kiezers, maar de Iraanse economie zal het allemaal wel overleven, zegt Badry. „We wachten al vele jaren op de ineenstorting, maar er is niets gebeurd. Zolang er olie uit de grond komt, kunnen de leiders alle problemen oplossen.”

Maar parlementslid Abu Taleb ziet het anders. Hij zegt dat het parlement niet kan lachen om het economisch beleid van de regering van president Ahmadinejad. „Niet één parlementslid is tevreden. Wij hebben inmiddels alle ministers al wel eens ontboden om de boodschap van het volk aan de regering over te brengen”, zegt hij. De afgelopen maanden zijn tegen enkele ministers afzettingsprocedures in gang gezet, maar dit zijn voorlopig speldeprikken. Maar straks zijn er weer parlementsverkiezingen, en het parlement wil niet worden afgerekend op de acties van de president. „De regering krijgt nog een jaar om te doen wat ze verondersteld wordt te doen. Als het volgend jaar niet beter is, is het oorlog.”