‘Waarom steken we ons spaargeld niet in onszelf’

Een slotdebat na de serie artikelen in deze krant over de golf aan overnames van Nederlandse bedrijven door buitenlandse. Is het erg? „Ja.” Wat moet er gebeuren? „Heel veel.”

Nederland ontbreekt het aan ondernemerszin, zegt Arnoud Boot, hoogleraar bedrijfsfinanciering aan de Universiteit van Amsterdam. „Studenten durven zich geen dubbeltje in de schulden te steken.” Paul Frentrop, directeur van adviesbureau Deminor voor beleggers: „Pensioenfondsen beleggen ons spaargeld vooral in het buitenland en niet in Nederland. Ik maak me over die trend grote zorgen.” foto Johannes van Assem den haag, 11-12-2006 Debat gevoerd door prof.dr. A.W.A. Boot, Anja Jongbloed, Rein Willems shell, en Paul Fentron (????)
Nederland ontbreekt het aan ondernemerszin, zegt Arnoud Boot, hoogleraar bedrijfsfinanciering aan de Universiteit van Amsterdam. „Studenten durven zich geen dubbeltje in de schulden te steken.” Paul Frentrop, directeur van adviesbureau Deminor voor beleggers: „Pensioenfondsen beleggen ons spaargeld vooral in het buitenland en niet in Nederland. Ik maak me over die trend grote zorgen.” foto Johannes van Assem den haag, 11-12-2006 Debat gevoerd door prof.dr. A.W.A. Boot, Anja Jongbloed, Rein Willems shell, en Paul Fentron (????) Assem, Johannes van

China zal over een kwart eeuw opnieuw de wereldeconomie domineren. Zoals China eeuwenlang de grootste economie ter wereld was totdat in het westen de industriële revolutie uitbrak. In de slagschaduw van China ontluikt nog een gigant, India. Eromheen groeperen zich de groeitijgers van Azië. Waar staat in deze compleet nieuwe mondiale verhoudingen straks Nederland? Sterker: wat moet er in Nederland gebeuren om mee te blijven doen aan de groeiende internationale concurrentiestrijd? Heel veel, zegt directeur Rein Willems van energiemaatschappij Shell Nederland. „De Nederlanders waren een verwend volk geworden. We betaalden mensen riant om niet te werken”, zegt hij.

Goed, er is de afgelopen jaren wel wat veranderd . Maar lang niet genoeg, vindt Willems.

„Overdreven”, vindt Anja Jongbloed, bestuurslid van vakbond FNV Bondgenoten. „Het is inderdaad vijf voor twaalf, maar om andere redenen. De groeiende tweedeling tussen arm en rijk.”

Eigenlijk zou het debat over iets anders gaan. Namelijk over het grote aantal Nederlandse bedrijven dat de laatste jaren in buitenlandse handen valt. Is dat erg?

„Ja”, zegt Paul Frentrop, directeur van Deminor, een adviesbureau voor beleggers. „De kwaliteit van de Nederlandse economie gaat erdoor achteruit. Vooral van de financiële dienstverlening.”

Toch lijken de zorgen daarover door iets groters overschaduwd te worden. Uit de vele gesprekken voor de serie artikelen met ondernemers, wetenschappers, advocaten en vakbondsmensen kwam naar voren dat de golf aan overnames door buitenlanders vooral een symptoom is van iets veel ingrijpenders: de globalisering. Die enorme veranderingen met zich meebrengt. En niet allemaal gunstig.

De tegenstelling tussen arbeid en kapitaal groeit. Aandeelhouders krijgen meer macht. Zij kunnen hun kapitaal flexibel en wereldwijd inzetten, om het snel te laten groeien. Tegelijkertijd staan in het westen de lonen en de pensioenen en eigenlijk de hele verzorgingsstaat onder druk. Alle bedrijven voelen die druk. Ook managers voelen zich onder druk gezet, door bemoeizuchtige aandeelhouders.

Hoewel sommige werknemers, vooral jongeren, nieuwe kansen ruiken, vrezen andere voor hun baan. Zij verlangen naar sociale rust, naar waarden en normen en ouderwets leiderschap. „Je ziet het aan de verkiezingsuitslag”, zegt Jongbloed. „Partijen die zeggen de arbeiders meer te beschermen, of buitenlanders buiten te houden, hebben gewonnen.”

„Als Nederland maar geen barrières gaat opwerpen tegen de globalisering, en tegen de buitenlandse overnames”, protesteert Arnoud Boot. Hij is hoogleraar bedrijfsfinanciering aan de Universiteit van Amsterdam en tevens kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER), die het kabinet adviseert over sociaal-economisch beleid. De globalisering is niet tegen te houden, vindt hij. Ook Nederland zal zich moeten aanpassen. „Wij zitten nou eenmaal in een overgangssituatie waar we doorheen moeten. Zulke situaties zijn altijd dramatisch.”

Hoe kan Nederland concurrerender worden en tegelijkertijd sociaal blijven?

Boot: „De economie moet harder groeien dan de kosten van de verzorgingsstaat.”

Jongbloed: „Aan de kostenkant is genoeg gedaan. De wao is verscherpt, zodat minder mensen een uitkering krijgen. We moeten tot op hogere leeftijd doorwerken; in de zorgsector is marktwerking ingevoerd.”

Boot: „Maar de economie groeit niet hard genoeg. Dat heeft onder meer te maken met de omvangrijke ontslagbescherming. Het ontslaan van mensen is lastig en duurt lang. Dat remt de groei van de productiviteit.”

Werknemers en werkgevers bereikten over een nieuw ontslagrecht geen akkoord. Een gemiste kans?

Jongbloed: „Voor de werkgever zou het makkelijker worden om mensen naar willekeur aan te nemen en te ontslaan. Daar zijn wij tegen. Het gaat steeds weer om het evenwicht. En aan alles merken we dat de balans naar de verkeerde kant aan het doorslaan is.”

Willems, directeur Shell Nederland: „Jammer dat er geen akkoord is bereikt. Versoepeling van het ontslagrecht is voor Nederland een van de beste sociale maatregelen. Dat klinkt cru, maar er moeten meer flexibele werkvormen komen. We mogen ons sociale systeem wel beschermen, maar we moeten het overdrevene eruit halen. Laten we het niet gaan verafgoden.”

Boot: „De globalisering brengt nou eenmaal met zich mee dat de concurrentie toeneemt, en in zo’n situatie moeten ondernemers de ruimte hebben om nieuwe markten te verkennen. Ze moeten kunnen schuiven met werknemers. Hoe je het ook wendt of keert, er komt meer risico te liggen bij de werknemers. Daar ben ik van overtuigd. Als overheid moet je dan bereid zijn om meer geld te steken in een vangnet. Zorg ervoor dat mensen als ze werkloos raken tijdelijk een hoge uitkering krijgen. Een half jaar bijvoorbeeld. Daarna kun je het verlagen, dan stijgt ook de druk om snel weer een nieuwe baan te vinden. Daarnaast moet de overheid ervoor zorgen dat er meer geld komt voor om- of bijscholing.”

Innovatie en ondernemerschap zijn goed voor de economie. Hoe doet Nederland het op dat gebied?

Willems: „Ik zie goeie dingen gebeuren. Elke zichzelf respecterende universiteit heeft nu een ondernemerscentrum. Er wordt meer kennis omgezet in commerciële ideeën. Bovendien komt meer durfkapitaal beschikbaar. Ik geef toe, universiteiten en bedrijfsleven staan nog steeds ver uit elkaar, maar het gat slinkt. Het Innovatieplatform, waar ik in heb gezeten, heeft zich daarvoor ingezet.”

Frentrop: „Van de twintig beste universiteiten in de wereld staan er twee in Europa, en geen in Nederland. Volgens mij zijn durfkapitalisten helemaal niet zo geïnteresseerd in Nederland, en heel gek vind ik dat ook niet.”

Boot: „Universiteiten kunnen alleen succes hebben als er veel privaat geld in gaat. Maar als bedrijven niet bereid zijn om echt te investeren in universiteiten, dan wordt het nooit wat. Laat ik naar mijn gebied, de financiële sector, kijken. Ik doe veel aan fund raising. Maar als ik met de top van ABN Amro praat krijg ik altijd twee opmerkingen. De eerste, die heel Nederlands is, luidt: ‘We betalen al belastingen, dus waarom zouden we ook nog privaat kapitaal in universiteiten stoppen.’ En twee, die is nog veel erger: ‘Het is eigenlijk een beetje toevallig dat ons hoofdkantoor hier staat. Het had ook in Chicago kunnen zijn.’ Wat ik wil zeggen: het bedrijfsleven neemt onvoldoende zijn verantwoordelijkheid.”

Willems: „Aan de technische kant is dat absoluut niet waar. Als je kijkt wat Philips, Shell en DSM doen. Aan de technische universiteiten zie je de hele geldstroom veranderen.”

Boot: „Dat is toch peanuts! Het gaat bij ons om 3 procent van de inkomsten.”

Willems: „Delft, Eindhoven en Twente zitten al op 15 procent. En op andere universiteiten is het op deelgebieden ook meer. Het kankeronderzoek aan de VU heeft net 12 miljoen binnengehaald. Maar ik ben het ermee eens dat we de infuusslang van de overheid verder moeten weghalen.”

En ondernemerschap?

Frentrop: „Wat is de eerste brief die je krijgt als je een onderneming begint? Hij komt van de Belastingdienst, en er staat in of je wilt inschatten hoeveel je dat jaar gaat verdienen, en daar moet je dan alvast belasting over betalen. Nog voordat je het geld hebt. Je bent wel gek als je in Nederland uit loondienst gaat. Wil je mensen laten kiezen voor een eigen bedrijf, dan moet je hun inkomen, zeg, half zo hoog belasten als het inkomen uit loon. Dat is ook rechtvaardiger. Loonslaven hebben immers veel meer sociale zekerheid.”

Boot: „We doen het qua statistiek niet eens zo slecht, gemeten naar het aantal nieuwe bedrijven. Wel zijn er verhoudingsgewijs weinig innovatieve ‘starters’. Maar echt mis loopt het bij de ‘uitgroei’. Bedrijven als Tomtom hebben we veel te weinig. Waarom? Dan kom ik toch weer op die arbeidswetgeving. Die zit veel te vast. Bedrijven met twintig, dertig mensen in dienst lopen daar tegenop. Bovendien is er een cultuur van risicomijdend gedrag.”

Hoe komen we af van het risicomijdend gedrag?

Boot: „Dat zal lastig worden. De studenten van tegenwoordig zijn niet meer de lapzwansen van dertig jaar terug. Zij zijn erg gemotiveerd, en hebben zes bijbaantjes. Maar ze gaan geen spannende nieuwe dingen doen. Ze durven zich nog geen dubbeltje in de schulden te steken. Liever nemen ze een zevende bijbaantje. En als je vraagt waar ze later willen werken, dan noemt het gros een groot bedrijf als Unilever, Philips of ING. Dat biedt veiligheid.”

Willems: „We zijn in Nederland verslaafd aan zekerheden.”

Jongbloed: „De angst voor risico’s zit heel diep. Ook wel terecht. Uiteindelijk is het zo dat de Nederlandse vrachtwagenchauffeur geen werk meer heeft. Het is de Pool die rijdt. Bedrijven zouden een deel van de onzekerheid kunnen wegnemen door hun werknemers meer vertrouwen te geven en meer in ze te investeren.”

Moeten Nederlanders meer investeren in ondernemingen van eigen bodem?

Frentrop: „Nederland is het land met zo’n beetje de hoogste spaartegoeden per hoofd van de bevolking ter wereld. Maar wat doen de honderden pensioenfondsen met dat geld? Van elke miljard euro wordt slechts 1 procent belegd in Nederlandse bedrijven, en de rest in het buitenland. Misschien levert het in het buitenland een procentje meer rendement op, maar is het niet slimmer om meer in onze eigen bedrijven te steken. Ik maak me over die trend grote zorgen, en niemand die er eens naar kijkt. We moeten investeren in onze eigen bedrijven.”

Boot: „Ik heb mijn twijfel over die rekensom, maar ik vind ook dat er meer geïnvesteerd mag worden. Ik voel een gebrek aan vertrouwen. We mogen best wat trotser zijn op ons land. Maar dat geldt ook omgekeerd. Bedrijven zoals ING en ABN Amro hebben eenderde van hun klanten in Nederland. Ze halen daar veel toegevoegde waarde. Als bedrijf moet je dan ook de verantwoordelijkheid voelen om in je omgeving te investeren. Dat gebeurt niet altijd.”

Willems: „Beleggers gaan daarheen waar het goed gaat. Kennelijk gaat het hier niet goed genoeg.”

Frentrop: „Amerikaanse beleggers denken daar blijkbaar anders over, die kopen alle aandelen op. Nederlandse pensioenfondsen beleggen juist buiten Nederland, met medewerking van de vakbeweging. Ik herhaal: waarom worden die spaargelden niet gebruikt voor de Nederlandse economie?”

Boot: „Grote Nederlandse pensioenfondsen als ABP en PGGM investeren in private equity, ook in meer agressieve varianten. Maar ze willen niet investeren in fondsen die een actieve rol spelen bij Nederlandse bedrijven, wat ze naar mijn idee wel zouden moeten doen. Maar ze doen het niet. Omdat ze zo in verband kunnen worden gebracht met banenverlies bij bijvoorbeeld Stork of Ahold. Ze zijn bang om hun maatschappelijk draagvlak te verliezen. Dat komt door het angstbeeld dat ten onrechte aan private equity kleeft. De wilde discussie over buitenlandse investeerders heeft in die zin een averechts effect. Met als gevolg dat er alleen buitenlanders in onze bedrijven stappen.”