Rebel Lennon

Sommige propaganda kan zo overtuigend zijn dat je er met open ogen intuint. Mij overkwam het bij de onlangs uitgekomen documentaire The U.S. vs. John Lennon.

Op het eerste gezicht een fascinerende film, die een indringend beeld geeft van het verzet tegen het Amerikaanse politieke establishment in de jaren zestig, begin zeventig. Lennon groeit in de film uit tot de symbolische leider van dat verzet.

John Lennon als politieke rebel, als de Che Guevara van de popmuziek. Het hééft wel wat. Je zou het iemand die zo wreed vermoord is, graag gunnen. Het klopt alleen niet. Het is een mythe die Yoko Ono, de weduwe van Lennon, ons wil laten geloven. Ik stel me voor dat zij tegen de filmmakers, David Leaf en John Scheinfeld, heeft gezegd: „Jongens, ik wil jullie graag helpen. Jullie krijgen zijn liedjes en mijn filmpjes. Maar oma Yoko wil wel graag de final cut doen. Ja?”

In de bioscoop sleepte de film mij zó mee dat ik de interviewfragmenten met Ono voor lief nam. Er was zoveel interessants te zien. Kijk, daar had je George McGovern, presidentskandidaat in 1972, die nu als oude man met schorre stem die ‘great line’ van Lennon zong: „All we are saying is give peace a chance.” En daar was Lennon zelf, die woedend tegen een journaliste van The New York Times uitviel: „Ja, jij vindt A Hard Day’s Night nog een leuk liedje, hè? Maar ik ben opgegroeid!”

Pas aan het einde, toen Ono vertelde dat John en zij altijd zo’n goed stel waren geweest, voelde ik nattigheid – genoeg in ieder geval om thuis weer eens diep in de snel vergelende biografieën te duiken.

Een goed stel? Een wel erg romantische benaming voor het slagveld dat hun huwelijk was geworden. Toen Ono al enkele dagen na de moord een nieuwe relatie begon, keken insiders daar niet vreemd van op. Bij de Lennons was altijd alles mogelijk geweest – dus waarom dit niet?

Relevanter is Lennons politieke staat van dienst. Daarin zijn, grof genomen, twee fasen te onderscheiden. Die van het ietwat vage, maar goedbedoelde verlangen naar wereldvrede, waarvan songs als Give Peace A Chance en Imagine getuigen. Daar was Lennon op z’n effectiefst. Er werd naar hem geluisterd, hij was een stimulans voor het verzet tegen de Vietnam-oorlog.

Daarna brak een donkerder periode aan. Lennon liet zich op sleeptouw nemen door halvegare, geweld (!) predikende revolutionairen als Bobby Seale en Jerry Rubin. De Nixon-regering schrok geweldig en nam drastische stappen om hem het land uit te krijgen. Dat gebeurde met veel geheimzinnigheid en hypocrisie, zoals de filmmakers laten zien, maar achteraf is de vraag gewettigd welke regering in een democratisch land niet ongerust zou zijn geworden. (In het Nederland van nu worden mensen wel voor minder uitgezet.)

Nadat Nixon in 1972 herkozen werd, was het snel gedaan met de politieke interesse van Lennon. „Ik heb wat geliefhebberd in de zogenaamde radicale politiek”, zei hij er later van, „maar dat was meer uit schuldgevoel dan uit wat voor overweging ook. Een schuldgevoel omdat ik rijk was en een schuldgevoel omdat ik dacht dat love en peace niet voldoende waren (...) Ik deed het tegen mijn instincten in.”

Dit cruciale statement ontbreekt uiteraard in de film. Oma Yoko wist leukere filmpjes.