Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Onderwijs

Naar de rechter als je kind vmbo moet doen

Onderwijsadvocaat Brussee ziet dat scholen zich vaker voor de rechter moeten verantwoorden in kwesties als pesten, schoolkeuze of het boerkaverbod.

Een jongen van tien rent na de zwemles naar de bus die de klas komt ophalen, hij struikelt, komt onder de rijdende bus terecht en loopt ernstig beenletsel op. Wiens schuld is dat? De rechter in Leeuwarden bepaalde vorige week dat behalve het busbedrijf ook de school aansprakelijk kan worden gesteld. Die had beter op het kind moeten letten, aldus de rechter.

Onderwijsadvocaat Wilco Brussee is bekend met dit soort zaken. Kort geleden verdedigde hij een leerling die werd mishandeld door een medeleerling. Namens de jongen eiste hij een schadevergoeding van de school, wegens onvoldoende toezicht. Deze zaak verloor hij, maar Brussee ziet rechters in toenemende mate zulke claims honoreren.

Het onderwijs is onderhevig aan juridisering, constateert Brussee, die samen met Willem Lindeboom partner is van een advocatenkantoor dat zich vrijwel uitsluitend op onderwijs richt. Hij krijgt te maken met zaken rond de verwijdering van of toelating tot scholen, staat studenten bij in de strijd tegen hun universiteit en verdedigt scholen die hun eigen regels willen stellen. Brussee: „En er zijn ouders die het bijvoorbeeld niet kunnen verkroppen dat hun kind naar het vmbo moet en niet naar de havo mag.”

De meest in het oog springende zaken betreffen moslima’s die naar de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) stappen. In 2003 verdedigde Brussee het Regionaal Opleidingscentrum Amsterdam tegen de klacht van twee studentes dat ze op school geen boerka mochten dragen. De school kreeg gelijk. Dit jaar stond hij ROC ASA bij. Bij die school meldde zich een leerlinge die van tevoren aankondigde dat ze mannen niet de hand zou schudden. De school weigerde haar in te schrijven, waarop de vrouw naar de CGB stapte. In dit geval werd de school in het ongelijk gesteld. Vorige maand oordeelde de CGB dat het Vader Rijn College in Utrecht niet van een lerares had mogen eisen dat ze mensen de hand schudt.

Het is volgens Brussee niet toevallig dat zich in het onderwijs, ruim voordat het kabinet een boerkaverbod overwoog, al een kwestie met boerkadragende leerlingen had voorgedaan. Veel kwesties rond integratie vinden het eerst hun weerslag in het onderwijs, aldus Brussee. „Een vrouw in een boerka zal niet snel worden aangenomen bij een bedrijf, maar heeft wel recht op onderwijs, of kan zelfs leerplichtig zijn.” Ook speelt mee dat het vaak jonge mensen zijn die zich radicaal opstellen, vult advocaat Lindeboom aan. En dan is er nog het argument dat er in het onderwijs een wederpartij is: de school. Brussee: „Scholen moeten iets verzinnen als zo’n kwestie zich voordoet. Een boerkadraagster op straat kent geen wederpartij.”

Veel zaken die in het onderwijs spelen, worden behandeld door de CGB. Lindeboom: „Mensen denken: laten we daar maar eens beginnen. Het is laagdrempelig en kost niets.” De CGB dient als een soort fuik voor de rechter, ook doordat veel oordelen worden nagevolgd. Toch zou het goed zijn als meer zaken naar de rechter zouden gaan, zegt Brussee. „De Commissie kijkt alleen naar gelijke behandeling, de rechter naar het totaalplaatje.”

In onderwijskwesties luistert dat volgens Brussee extra nauw. „De meeste zaken waar het dragen van bepaalde kleding in het geding is, draaien om de botsende grondrechten van gelijkheid en vrijheid van godsdienst. In het onderwijs komt daar nog eens de vrijheid van onderwijs bij.” In de handenschudzaken heeft de CGB volgens Brussee te weinig naar de vrijheid van onderwijs gekeken.

Het befaamde artikel 23, dat de vrijheid van onderwijs regelt, kent scholen verregaande autonomie toe. Ze mogen zelf bepalen op welk geloof de school is gebaseerd, ze kennen een vrijheid van stichting en ze mogen vrijwel geheel zelf bepalen op welke manier ze onderwijs geven. En ook, zegt Lindeboom, welke regels binnen het schoolgebouw gelden, zoals kledingvoorschriften. „Maar daar kijkt de Commissie Gelijke Behandeling te weinig naar.” De Commissie zat er echt naast met de uitspraken over handen schudden, zegt Brussee. Lindeboom: „Ik hoop dat zo’n zaak nog eens voor de rechter komt.”

De twee advocaten voorspellen dat de rol van de CGB in juridische kwesties in het onderwijs zal toenemen. Een andere ontwikkeling die ze voorzien is dat er vaker een beroep zal worden gedaan op het argument dat scholen verantwoordelijk zijn als een leerling iets overkomt. Brussee: „Ook de ouders van het vermoorde jongetje in Hoogerheide zouden de school op basis van dat argument aansprakelijk kunnen stellen.” Al ligt het niet voor de hand dat het gebeuren zal, het kan wel. Lindeboom: „Als bijvoorbeeld blijkt dat de verdachte geregeld bij de school is gesignaleerd, zou de school onoplettendheid kunnen worden verweten.”