Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Logeren

Het was alweer zo’n dertig jaar geleden dat wij in ons huis een kindje van amper twee jaar moesten verzorgen. Toen ging het om een kind van eigen makelij, nu hadden we het kind van dat kind, kleinzoon Glenn, een weekend over de vloer.

„En, hoe beviel het?” vroeg mijn dochter toen ze haar zoon kwam ophalen.

Ze stelt dat soort vragen vooral aan mij, omdat ze nog van vroeger weet dat ik gevoeliger ben dan haar moeder voor aanslagen op mijn dagelijkse ritme. Pa moet, nog altijd, getest worden. Ik gaf uiteraard geen enkele krimp en zei achteloos: „Het voelde meteen of hij hier altijd gewoond heeft.”

Dat was beslist niet waar, althans wat mij betreft. Glenn daarentegen maakte het niets uit. Hij stond zijn ouders zaterdag genadiglijk toe dat ze extra vertederd van hem afscheid namen – niet hij, maar zíj leken een beetje ontroerd. Toen ze hem vanaf de straat nog even toezwaaiden, groette hij voor de vorm terug, maar het was duidelijk dat hij nauwelijks kon wachten met het verkennen van zijn nieuwe rijk.

Tot dat rijk behoorde ook ik, maar meer als een afgedankte, machteloze dictator, een soort Pinochet, dan als een gevaarlijke despoot op het toppunt van zijn macht. Van eerbied was geen sprake. Ik moest meteen op de grond gaan liggen, of mezelf als klimrek aanbieden en vragen beantwoorden die ik niet verstond, afgezien van die ene vraag die er elke keer, dat wil zeggen om de tien minuten (een heel weekend), glashelder uitkwam: „Opa (oma), wat doe je nou?”

Naast mijn stoel lag een stapeltje boeken, zware, verantwoorde literatuur, zoals dat hoort bij een columnist van NRC Handelsblad, waarvan ik me had voorgesteld dat ik er af en toe op zijn minst een bescheiden blik in kon werpen. Dat was me vroeger toch ook meestal gelukt, toen ik nota bene jarenlang dag in, dag uit twee kleine kinderen om me heen had gehad?

Vergeet het. Een grootvader is geen vader. Een grootvader dient zich aan het kleinkind aan te passen, en niet andersom. Een vader kan doen alsof zijn neus bloedt. Hij leest de krant, doet een dut en zet de kids bij de tv als hij even zijn gang wil gaan. Grootouders zijn per definitie altijd beschikbaar, dat is een ongeschreven wet voor hen en hun kleinkinderen. Daarom zijn kinderen zo graag bij hun grootouders: altijd aandacht, altijd liefde.

Je mag als grootouder ook nooit écht boos worden op je kleinkind, vind ik. Mijn enige traumatische jeugdervaring betreft mijn grootmoeder van moeders zijde. Een grillige vrouw bij wie liefde snel kon omslaan in boosheid. Ze heeft me één keer woedend door het hele huis achternagezeten omdat ik ‘een rótkind’ was. Als ik aan haar denk, denk ik in de eerste plaats aan die achtervolging.

Dat zou Glenn dus in ieder geval niet overkomen. Hij was de heerser, wij waren de onderdanen die hem zijn natje en droogje kwamen brengen, zijn (schaarse) tranen droogden en zijn drollen opvingen. Als hij een nederig verzoek afwimpelde met zijn minzame standaardformulering: „Nee, hoef-niet”, dan hoefde het ook niet.

Misschien hebben we hem dus wel volledig verpest bij zijn ouders ingeleverd en moet ik straks aan mijn dochter vragen: „En, hoe is het bevallen?”