Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Flonkerend, met alle opwinding en butsen

Sjoerd de Jong

De meeste oudere popsterren zijn al jaren volop bezig met hun eigen vereeuwiging. Elke zichzelf respecterende artiest uit de jaren zestig en zeventig heeft een cd-box uitgebracht met klassiekers, concertopnames en ‘uniek’ materiaal, soms inclusief spontaan bedoeld pauzegeklets. Veteraan Bob Dylan beleefde halverwege de jaren negentig al een onwaarschijnlijke renaissance dankzij zijn meerdelige Bootleg Series.

Na lang wachten is ook Neil Young begonnen met het uitbrengen van materiaal uit zijn persoonlijke archieven. Er komen enkele cd-dozen vol studio-opnames en concerten. Als opwarmertje is nu verschenen Live At The Fillmore East, een opname van een concert in New York uit 1970 met zijn destijds nog prille band Crazy Horse, die al jaren circuleert onder bootleggers. Het is een flonkerende opname van een enthousiaste seventies-band, met in zes nummers alle opwinding, hobbels en butsen die horen bij de intuïtieve speelstijl van Young en zijn begeleiders.

De Canadees Neil Young werd vooral beroemd als lid van het hippiekwartet Crosby, Stills, Nash en Young, met introverte akoestische ballades en gepijnigd expressionisme op de elektrische gitaar. De puristen onder zijn fans zagen Young echter liever geflankeerd door de anonieme mankracht van Crazy Horse, een gezelschap voor het betere hak- en stucwerk dat onder collega-muzikanten laag staat aangeschreven, maar dat Young de gelegenheid gaf te excelleren. Young voelt zich naar eigen zeggen thuis in het elementaire universum van de band (die sinds 1975 bestaat uit Frank Sampedro, gitaar; Billy Talbot, bas; Ralph Molina, drums), omdat hij daarin niet langer een superster is, of lid van een kwartet egomaniakken, maar ‘gewoon’ een van de jongens, die zich kan laten meeslepen in de trage stroom van decibellen die hun handelsmerk is geworden.

Iets van een parodie heeft die rock ‘n’ roll act in de loop der jaren wel gekregen („Ze zeggen dat onze muziek veel te hard staat/ Weten wij veel waar dat op slaat”, zingt Young in het bewust idiote nummer Prisoners of Rock ‘n’ Roll). De mannen van Crazy Horse hangen een groot deel van hun tijd rond (ze worden zelden of nooit gevraagd voor sessies), tot Young ze weer eens uit de kast trekt. Intussen is volstrekt duidelijk dat de echte verhouding tussen Young en de band er één is van een herenboer met zijn elektrisch versterkte lijfeigenen.

Heel in het begin was dat anders. Wie luistert naar hun verrichtingen op Live at the Fillmore East, hoort een hechte en opgewekte band, die meer is dan alleen maar een decor voor het afwisselend lyrische en agressieve gitaarspel van Young en diens wankele zang. Zó fris had de Westkust in de jaren zeventig dus ook kunnen klinken, als de ruggengraatloze softrock van The Eagles er niet de macht had gegrepen.

Dat de vonken eraf vliegen is natuurlijk te danken aan het feit dat Young en de band elkaar toen pas kenden (ze hadden net hun eerste plaat samen gemaakt, Everybody Knows This Is Nowhere), maar vooral aan de inzet van gitarist Danny Whitten, destijds met toetsenist Jack Nitzsche prominent lid van de band. De combinatie van hun gitaren en zang (Whitten rauw en hees, Young met gekwelde falsetto) geeft de sinistere drugsode Come On Baby Let’s Go Downtown een hoog adrenalinegehalte. In langzaam voortmalende krachttoeren als Down By The River en Cowgirl in the Sand bereikt het duo ijle hoogten.

Het talent van Whitten, ooit oprichter van de band (onder de naam ‘Danny and The Rockets’), is ook te horen op het debuutalbum dat Crazy Horse een jaar later zonder Young uitbracht, maar dat net tot de gehoopte doorbraak leidde. Het is vorig jaar opnieuw uitgebracht als de verzamel-cd Crazy Horse: the complete recordings 1971-1973, met enkele ruwe jamsessies en de veel slappere tweede plaat van de band, Loose, uit 1972.

Young en Crazy Horse hebben deze muzikale afslag maar kort kunnen volgen. De zwaar verslaafde Whitten (ook auteur van het door Rod Stewart beroemd gemaakte I Don’t Want To Talk About It) stierf in 1972 aan een overdosis, na ontslag uit Youngs nieuwe begeleidingsband. Een zware klap voor de zanger, wiens muziek ook door andere persoonlijke tegenslagen een minder naïef, grimmiger karakter kreeg. Young verwerkte Whittens dood met Crazy Horse op het door drank en depressie kromgetrokken, grootse album Tonight’s the Night.

De band beleefde een tweede jeugd dankzij de nieuwe gitarist Frank Sampedro, een stevige plaat met Youngs (Zuma, 1975) en een reeks concerten in Japan en Europa die vast ook nog wel uit de archieven zullen opduiken. Sindsdien fungeert Crazy Horse als driekoppig uitzendbureau, op afroep beschikbaar om decorstukken aan te dragen bij Youngs steeds burleskere gitaargrillen. Het gemis is gebleven: de stem en gitaar van Danny Whitten.

Neil Young and Crazy Horse, Live At The Fillmore East. Neil Young Archives Performance Series. Reprise.

Crazy Horse: The Complete Reprise Recordings. Reprise.