Ik ben een kind dat met vuur speelt

Deze week verschijnt in het Nederlands ‘Kus uit New York’ van Art Spiegelman: zijn verzameling provocerende covers die hij tussen 1992 en 2002 voor The New Yorker maakte. „Ik kwam met tegenzin op deze wereld.”

‘Een cover voor de The New Yorker was altijd iets braafs – bijvoorbeeld een tekening van een kat die in het raam zit en uitkijkt op Brooklyn Bridge”, zegt Art Spiegelman. Totdat hij er in 1992 zelf ging werken. „Bij zo’n lieve poes, zou ik ook een rassenrel of zo tekenen.” Er is veel veranderd sinds Spiegelman (1948) bij de The New Yorker terecht kwam – en er negen jaar later met slaande deuren vertrok. Dat hij ruzie zou krijgen, was bijna onvermijdelijk. Want eigenlijk paste hij niet bij het high-brow weekblad, dat de culturele agenda van New York volgt en dat zich – met een wereldwijd publiek – specialiseert in brede journalistieke reportages, essays en nieuwe fictie. En subtiele cartoons en tekenwerk, waarin inderdaad nogal eens poezen voorkomen. „Het was alsof ik bij een broederschap werd gevraagd en dat was een hele eer, maar ik wist niet zeker of ik me er thuis zou voelen.”

Thuis las de familie Spiegelman immers Life en zeker niet de elitaire The New Yorker. Op zevenjarige leeftijd ontdekte Art Spiegelman het satirische striptijdschrift Mad, zag af van zijn voornemen om brandweerman te worden en wist vanaf dat moment zeker dat hij ook strips wilde maken. Tot groot verdriet van zijn vader die graag wilde dat hij tandarts werd.

Na zijn (niet-afgemaakte) studie kunstgeschiedenis, de zelfmoord van zijn depressieve moeder en een persoonlijke psychische crisis begon hij in 1972 aan een van de indrukwekkendste stripboeken van de twintigste eeuw: Maus. Spiegelman, die al naam begon te krijgen als tekenaar van underground comix, werkte bijna twintig jaar aan het tweeluik dat de geschiedenis van zijn vader vertelt, een overlevende van het Duitse vernietigingskamp Auschwitz. Maus, A Survivor’s Tale is simpel maar effectief getekend. De joden zijn muizen, de nazi’s katten. De Polen zijn varkens. In Spiegelmans verhaal vertelt zijn vader over de jodenvervolging en hoe hij de vernietigingskampen overleefde. Het boek is ook een aangrijpend verslag van de relatie van de tekenaar met zijn vader – en hoe slecht ze elkaar begrijpen. In 1991 verscheen een tweede deel, Maus II, And Here My Troubles Began.

Maus betekende Spiegelmans doorbraak bij het grote publiek, maar ook een doorbraak in de erkenning van de serieuze strip als genre. In 1992 werd zijn werk tentoongesteld in het Museum of Modern Art in New York en in 1992 kreeg hij voor Maus een Pulitzer Prize. Het was de eerste keer dat die Amerikaanse prijs – die jaarlijks wordt toegekend aan verschillende journalisten, schrijvers en historici – naar een striptekenaar ging.

Strips zijn elementair;

de mens denkt in stripvorm, zegt Spiegelman. Een strip brengt in een vereenvoudigde beeldtaal en met weinig tekst veel informatie.

„Zo formuleert mijn brein gedachten, maar het kost me echt moeite om het op papier te zetten. Het is monnikenwerk. Ik heb een ambitieus oog, maar de handen van een slager. Ik ben altijd bang dat mensen zien dat ik helemaal niet zo goed kan tekenen. Daarom werk ik langzaam en maak ik veel schetsen. Het eindresultaat is heel bevredigend. Strips zijn een compressie van taal en beeld: een explosief mengsel, als je het goed doet.”

Spiegelman werkt nu aan een inleiding in stripvorm bij een herdruk van zijn debuut Breakdowns. De inleiding gaat over zijn vorming als kunstenaar en – opnieuw – over zijn ouders. Werktitel: Portrait of the Artist as a Young Nerd. Het resultaat is nu in afleveringen te lezen in het literaire tijdschrift The Virginia Quarterly Review (www.vqronline.com). Als het klaar is verschijnt het als graphic novel, de naam waaronder serieuze strips nu zijn ingeburgerd.

Spiegelman: „Het traditionele boek verliest terrein. De graphic novel blaast het boek nieuw leven in. De wereld is een grote kolerezooi, maar het is een geweldige tijd voor strips. Het gaat heel goed met de strip – sorry dat ik zo optimistisch klink. Zo ben ik helemaal niet.”

The New Yorker, die

sinds de oprichting in 1925 nauwelijks van karakter was veranderd, was in 1992 in turbulentie. Om de stagnerende oplagecijfers op te krikken voerde de in dat jaar aangetreden hoofdredacteur Tina Brown een aantal controversiële veranderingen door die The New Yorker buzz en heat moesten geven.

Onder Brown, die eerder Vanity Fair op de schop had genomen, veranderde de lay-out, werden kleurenfoto’s ingevoerd, kwamen celebrities en zakenlui aan het woord, waarvoor het blad een halve eeuw de neus had opgehaald, en belichtte het blad ook de hippere kanten van het New Yorkse nachtleven. En – ook met het oog op visuele schokeffecten – haalde Brown Spiegelman binnen en diens vrouw Françoise Mouly. Het echtpaar gaf sinds 1980 het baanbrekende stripblad RAW uit. Mouly werd art director van The New Yorker, Art zou omslagen maken.

Spiegelmans eerste cover was meteen raak. Voor het Valentijns-nummer tekende hij een chassidische jood die een zwarte vrouw kust. Daarmee joeg hij zowel orthodoxe joden als zwarte Amerikanen in de gordijnen – en een horde journalisten en commentatoren.

Daar zou het niet bij blijven. Spiegelman is een beroepsbelediger. „Beledigen mag”, vindt hij, „maar niet elke belediging is geslaagd.” De Deense cartoons van de profeet Mohammed vindt hij „een nogal opzichtige provocatie”, schreef hij in het essay Drawing Blood dat in juni 2006 werd gepubliceerd in Harper’s Magazine. „En slecht getekend bovendien.”

Spiegelman verkent de grenzen van wat kan en mag. Hij beledigt met een doel. De chassidische jood en de zwarte vrouw die elkaar kussen zijn voor hem in de eerste plaats een welgemeende illustratie van het Valentijns-thema ‘All you need is love’. Maar het venijn zat hem natuurlijk in de tweede betekenis: zijn bijtende verwijzing naar de segregatie in New York. Juist in 1991 waren er in Crown Heights in Brooklyn rellen geweest tussen zwarte en joodse New Yorkers. „Ik had het gevonden: een beeld dat op een omslag aantrekkelijk en uitnodigend was, en tegelijkertijd grensverleggend en onbehaaglijk!” zegt Spiegelman in Kus uit New York, zijn verzamelde New Yorker-covers, die nu in het Nederlands zijn gepubliceerd.

Veel van Spiegelmans

omslagen hebben die combinatie van mooi en onbehaaglijk. Zijn tekenstijl is nooit hetzelfde. Hij varieert enorm in zijn aanpak. Hij zoekt een stijl bij zijn onderwerp en hij kijkt daarbij altijd goed naar zijn voorgangers bij The New Yorker, onder wie Saul Steinberg en James Thurber, en naar andere striptekenaars. Maar er zit altijd die ongemakkelijke ondertoon in. Dat is zijn visie, zegt hij, de illustratie van een tijdperk. De zorgeloze jaren negentig, waarin volgens sommigen het einde van de geschiedenis leek aangebroken en iedereen snel en gratis rijk zou worden op de aandelenmarkt, die jaren ontbreken in zijn werk.

Bij Spiegelman gaan schoolkinderen gewapend met automatische geweren naar school. De paashaas wordt gekruisigd op een belastingformulier (met Pasen moet je je aangifte hebben ingeleverd in de Verenigde Staten). Als president Bill Clinton wordt geïnterviewd houden de journalisten hun microfoons niet bij zijn mond, maar bij zijn kruis. Het is rauw en bot.

„Weet je dat bij mijn geboorte mijn armen zijn gebroken?” zegt Spiegelman. „Anders was ik nooit geboren. Ik kwam met tegenzin op deze wereld. Ik ben een klein kind dat met vuur speelt. Ik probeer alles in me op te nemen en daaruit de Zeitgeist te destilleren. Het resultaat is lang niet altijd mijn mening, het is een visie, een vooruitblik.”

Achteraf bezien lijkt al het

geweld en het pessimisme in Spiegelmans tekeningen een prelude op de aanslagen van 11 september 2001, die zich voor zijn ogen voltrokken. Het World Trade Center stond een paar blokken van zijn huis. De eerste covertekening die hij daarna inleverde, was geheel zwart: een zwarte ondergrond met daarop het zwarte silhouet van de twee torens. Op het eerste gezicht lijkt hij alleen maar zwart – een beetje afgezaagd. Maar dan zie je de antenne die door de ‘W’ van de titel The New Yorker steekt en vervolgens doemen de twee verdwenen torens uit het zwart op.

In de maanden na de aanslagen veranderde de politieke stemming op de redactie radicaal. Hoofdredacteur David Remnick, die Tina Brown in 1998 was opgevolgd, toonde zich in een artikel voorstander van een oorlog tegen Irak en dat was voor Spiegelman reden de samenwerking op te zeggen. „Remnick is een havik, maar inmiddels heeft hij wel een beetje spijt van dat artikel”, zegt Spiegelman over die periode.

Hij heeft zelf ook een beetje spijt van zijn vertrek, al heeft het hem wel lucht gegeven. Hij maakte sinds zijn vertrek een boek over de aanslagen in New York, In the Shadow of No Towers (in het Nederlands verschenen als In de schaduw van geen torens), hij werkt aan zijn autobiografie, maar hij heeft ook alweer tekeningen ingeleverd bij The New Yorker. „Het is waarschijnlijk toch het beste blad ter wereld”, zegt hij. Er is veel veranderd, ook door mij. Het blad is veel politieker geworden. En als ik naar de cover van deze week kijk, word ik jaloers.”

Voor het Thanksgiving-nummer dat deze week – met enige vertraging – in de Nederlandse kiosk ligt – heeft striptekenaar Chris Ware vier verschillende covers gemaakt die bij elkaar een verhaal vertellen over twee Thanksgiving-diners: een in 1942 en een in 2002. Op www.newyorker.com is nog een extra pagina te vinden, die het verhaal aanvult.

Ware werd in de jaren tachtig door Spiegelman ontdekt en mocht in het blad RAW zijn vleugels uitslaan. Op de omslag van The New Yorker zet hij de lijn voort die Spiegelman inzette: de getekende tijdschriftcover werd een kunstobject. „Het is een beetje als met mijn zwarte cover na de aanslagen”, zegt Spiegelman. „Als een schilderij met een oplage van één exemplaar had diezelfde tekening nooit zo’n impact gehad.”

Art Spiegelman: Kus uit New York; met een inleiding van Paul Auster; uitg. Oog & Blik . Atlas; 112 blz. € 29.95