Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Media

Surinaamse bui

Eerste indrukken zijn altijd verkeerd. Weet ik. Maar hoe ontkom je eraan? En wanneer kom je van ze af? Mensen hebben kennelijk clichés nodig, en als ze er niet zijn, moeten ze worden aangemaakt. Over het aanmaken van clichés ben ik weinig tegengekomen in de wetenschappelijke literatuur, terwijl dat toch het antropologische probleem nummer één zou moeten worden genoemd.

Binnen een week in Paramaribo heb ik al een behoorlijk arsenaal aan clichés opgebouwd. Bijvoorbeeld dat Suriname na eenendertig jaar onafhankelijkheid nog erg bezig is onafhankelijk te worden. Wanneer is een land echt onafhankelijk? En is die toestand van onafhankelijkheid wel mogelijk, sterker: is die toestand in een globaliserende wereld eigenlijk wel wenselijk?

Suriname schijnt maar niet af te kunnen komen van Nederland en al helemaal niet van Nederlanders. Wekelijks komen ze met honderden tegelijk hier binnen om bezit te nemen van de stad. Letterlijk. Ze hebben hun eigen terrasjes waar de drankjes net zo duur zijn als in Amsterdam, dus voor de meeste Surinamers onbetaalbaar. En wat opvalt is dat ze zo graag zwemmen, de toeristen, ze kunnen de hele dag poedelen in het zwembad alsof het een natuurlijke bezigheid is, terwijl iedereen intussen wel moet weten dat de evolutie ons heeft begiftigd met het vermogen om op het droge te blijven.

Surinamers zelf hebben niet zo’n behoefte aan nattigheid, en terecht. Als het regent gaat iedereen massaal ‘schuilen’, zoals dat hier heet, schuilen voor de regen, en meestal vindt die regen je toch. Een goede bui brengt me in een slechte bui, zei een Surinaamse dichter in het dichtershuis ‘Tori Oso’, het huis voor de verhalen. Ook weer terecht. Bij een bui in de tropen valt namelijk alles uit. Televisie, internet, zelfs de krant wordt niet meer bezorgd, want die zou zo leesbaar zijn als wc-papier in een wc-pot.

Maar goed, die onafhankelijkheid en de moeizaamheid daarvan: als president Venetiaan naar Nederland gaat om met Balkenende de slechte behandeling van Surinamers op Schiphol te bespreken, heet Nederland in de Surinaamse kranten steevast ‘het voormalige moederland’. Dat maakt het allemaal wel iets wranger natuurlijk, slecht behandeld worden door je moeder, ook al was ze een voormalige moeder. Het is een soort poëzie waar men in Suriname een natuurlijke aanleg voor heeft.

Surinamers gaan hoe dan ook poëtischer om met de Nederlandse taal, poëtischer en tegelijk ook formeler. Want weer zo’n cliché: in Suriname wordt niet gauw getutoyeerd. Iedereen is hier meneer en mevrouw of tante en oom en het is altijd: u.

Om het cliché uit te breiden: Suriname is op alle fronten formeler, er wordt ook gehecht aan een net uiterlijk en nette kleding, wat in de tropen misschien niet altijd makkelijk is (schoenen en sokken en hemden met lange mouwen en soms zelfs stropdassen), maar respect hebben, en afdwingen, het dient een hoger belang dan gemak. Wat die waarden en normen betreft, daar kan men in Suriname veel van leren. Misschien zou niet Venetiaan naar Balkenende moeten gaan, maar andersom.

Maar het blijft moeizaam, die onafhankelijkheid. Aan de ene kant kun je hier op televisie het NOS-journaal zien en komt het hilarische bericht van de gekleurde Pieten in Nederland tamelijk prominent in de krant, ook al is Sinterklaas in Suriname afgeschaft, gelukkig, en heet 5 december nu kinderdag, want er moet natuurlijk wel speelgoed worden verkocht. Aan de andere kant wordt met onmetelijke energie gewerkt aan wat men een vorm van ‘eigenheid’ moet noemen.

Ik wil meteen aannemen dat eigenheid iets belangrijks is, maar wat het precies moet inhouden is vrij onduidelijk. Je ziet de etnische groepen in Suriname met steeds meer drift hun eigenheid zoeken. Elke etnische groep, Hindoestanen, creolen, Javanen, Chinezen, ze lijken allemaal hun eigen televisiezender te hebben. Hun eigen kledingzaken, hun eigen plekken voor vertier. Toen ik het land voor het laatst bezocht, alweer zo’n tien jaar geleden, hadden Hindoestanen bijvoorbeeld geen eigen dansclubs. Nu zijn ze er wel en ze zijn wel zeer eigen. Want in een hindoestaanse club dansen niet de mannen met hun vrouwen, maar de mannen met elkaar. Het is een overpeinzing waard, juist omdat het niet homo-erotisch is. Het is een typisch Hindoestaanse vorm van eigenheid. Bovendien worden vrouwen die toevallig in zo’n club belanden, niet lastig gevallen, maar volkomen genegeerd. Een goede vorm van eigenheid zou je moeten zeggen.

De eigenheid wordt ook gevonden in de gerechten die men eet. Kip was het oude cliché, nu is het ‘pingo’, een soort wildzwijn, en zelfs kaaiman, een kleine krokodil. Waarom eet men dat allemaal? Niet omdat het lekker is, maar omdat het de eigenheid benadrukt. Met de eigenheid moet je creatief omgaan, is mijn eerste indruk.

Het is buitengewoon spannend, de dubbele beweging die er gemaakt wordt in het bereiken van een toestand van onafhankelijkheid. Exotisme en kosmopolitisme veroorzaken een verrassende spagaat. En daar tussenin ergens bungelt het nationalisme, zoals de belangrijkste schilder van Suriname, Erwin de Vries, een keer op zijn eigen sardonische manier zei.

Die beeldspraak gaat steeds beter kloppen, als je de viering ziet van het eenendertigste jaar van de onafhankelijkheid, afgelopen 25 november. Hoogtepunt was vreemd genoeg een defilé van binnenlandse en buitenlandse militairen. Dat is vreemd, omdat het land nog aan het herstellen is van het trauma van een militaire staatsgreep. En o, wat een machtig symbool: de hele ceremonie werd met groots, gewelddadig natuurlijk geweld verstoord, want er viel een tropische bui, en alle mensen gingen schuilen. Voor het nationalisme moet je schuilen, moet je daaruit begrijpen.

ramdas@nrc.nl