Vatbare varkens

Ze mogen wroeten en naar buiten, maar biologisch gefokte varkens zijn volgens de boeren te vaak ziek. Hygiëne verbetert veel, maar dat rassen en voer niet op de biologische houderij zijn toegesneden, blijft lastig. Hester van Santen

Als je achttien biologische varkensboeren vraagt of hun varkens gezond zijn, wat zeggen ze dan? Zeven zeggen dat er geen problemen zijn, of bijna niet. Maar de andere elf maken zich zorgen over de gezondheid van hun dieren. Tien van de elf vinden die problemen zelfs ernstig.

Dat bleek afgelopen zomer. Gisabeth Binnendijk en Carola van der Peet van de Wageningen Universiteit publiceerden toen de resultaten van een onderzoek bij achttien biologische varkenshouders met vleesvarkens (een grote steekproef, want er zijn slechts tachtig van die boeren in Nederland). Acht boeren vonden, vorig jaar zomer, dat hun varkens te vaak hoestten en te vaak longontstekingen hadden. Veertien varkenshouders vonden de ‘uitval’ problematisch: te veel varkens gingen dood, of ze groeiden te langzaam.

Kort samengevat is dit het dilemma van een biologische boer. Tocht en vuil stro in de stal bevorderen infecties, en de bio-regels voor voer en medicijnen maken het moeilijk om de dieren tegelijk gezond én winstgevend te houden. Van der Peet: “Ja, boeren maken zich zorgen. Zieke dieren, dat wil je liever niet.” Gisabeth Binnendijk: “Het zijn subjectieve cijfers. Die boeren hebben in ieder geval het gevoel dat het beter kan.”

In de biologische veehouderij is diergezondheid net zo zeer een probleem als in de gangbare veehouderij. In bepaalde sectoren, zoals de varkenshouderij, lijken er zelfs relatief méér zieke dieren te zijn. De Animal Sciences Group (ASG) van de Wageningen Universiteit, waar Binnendijk en Van der Peet werken, publiceerde er de afgelopen jaren regelmatig rapporten over.

Maar ook elders in Europa wordt het gemerkt: de biologische veehouderij heeft het welzijn van de dieren verbeterd, maar biologisch produceren geeft geen garantie voor gezonde dieren. Een internationale groep landbouwonderzoekers verklaarde het deze zomer tijdens de slotconferentie van de SAFO, een driejarig EU-programma voor diergezondheid en voedselveiligheid in de biologische landbouw. “De variatie tussen boerderijen is groter dan het verschil tussen houderijsystemen”, schreven zij. Dat betekent dat biologische boeren onderling méér verschillen, wat de gezondheid van hun dieren betreft, dan dat biologische boerderijen verschillen van gewone. “Algemene claims dat biologische producten van gezonde dieren komen [...] zijn niet gerechtvaardigd.”

De biologische landbouw is klein en jong. In de tweede helft van de vorige eeuw ontstonden lokale initiatieven, maar pas in 1991 stelde de Europese Unie de eisen vast. Kern is dat het boerenbedrijf zo natuurlijk en duurzaam mogelijk moet zijn. Geen kunstmest, geen chemische bestrijdingsmiddelen, geen gebruik van genetische manipulatie, en maar beperkt chemische geneesmiddelen zoals antibiotica voor de dieren. In de veehouderij zijn er bovendien regels die het welzijn van dieren bevorderen, zoals buitenuitloop en grote hokken. Rassen moeten gekozen zijn op ziekteresistentie, het voer niet op maximale productie.

porcoduct

Op naar biologische varkensboer Nico van den Broek, in Hilvarenbeek bij Tilburg. Van den Broek heeft fokzeugen, biggen en vleesvarkens. Met 850 vleesvarkens en 140 zeugen is zijn bedrijf voor een bioboer aan de grote kant. Hij blijkt een vooruitstrevende boer. Hij heeft een wandelroute over het bedrijf met bordjes en bruggetje (‘porcoduct’), en verkoopt met andere bio-landbouwers uit de buurt producten via internet. De meerderheid van de boeren erg bezorgd? Van den Broek gelooft het pas als hij het rapport er in de keuken op naleest, en dan nog niet echt. “Bij mij en mijn collega’s zie ik geen problemen die die uitspraak kunnen rechtvaardigen.”

Maar de meeste betrokkenen denken dat het wél klopt, dat de sterfte en het aantal zieke dieren wat groter is in de biologische houderij. Maurits Steverink, van de Taskforce Marktontwikkeling Biologische Landbouw en koepelorganisatie Biologica: “Dat er nog veel moet gebeuren, dat is ongetwijfeld zo”. Herman Vermeer, varkensonderzoeker bij de Animal Sciences Group: “Ja, er zijn verschillen.”

Vermeer voegt wel direct toe: “De laatste jaren is er enorm veel verbeterd.” Aan de cijfers over long- en leverschade is dat ook te zien: de verschillen zijn kleiner dan vier jaar geleden. Steverink benadrukt: “Er zijn al bedrijven die top draaien, en nu proberen we anderen ook naar dat niveau te krijgen.”

Wat is er aan de hand? In folders voor eko-vlees, zoals van het merk Bio-plus, is toch echt te lezen: ‘de natuur zorgt zelf voor een gezond evenwicht’. In de praktijk blijkt het voor bioboeren moeilijk om dat evenwicht te vinden, als het al bestaat. De buitenuitloop geeft de dieren meer beweging, maar ook meer kans op tocht en infecties. Het beperkte medicijngebruik voorkomt dat dieren chronisch aan de antibiotica zijn, maar verkleint ook de mogelijkheden om ziektes te behandelen. De EU vraagt om ziektebestendige rassen, maar die zijn er niet altijd en daarbij: de markt vraagt om productie. En het biologische voer zonder toevoegingen is wel duurzaam, maar niet altijd geschikt om een varken vet te mesten.

Dit soort kwesties spelen in alle takken van de bio-veehouderij in Europa, schreef de SAFO (voor Sustaining Animal health and Food safety in Organic farming) aan de hand van een enquête. Bij kippen, bij varkens, en in mindere mate ook wel bij melkkoeien, schapen en geiten.

Wat maakt dat dieren op de boerderij ziek worden of doodgaan? In de eerste weken is de sterfte het grootst: één op de vijf biobiggen gaat dan dood. Bij de geboorte, maar vooral bij het spenen, krijgen biggen nogal eens ernstige diarree. Omdat de zeug meer ruimte heeft, is de kans ook groter dat ze gaat rondlopen en een big (ze heeft er twaalf, gemiddeld) dooddrukt als ze weer gaat liggen. Oudere varkens hoesten veel, door long- of borstvliesontstekingen. Ook gebruikelijk zijn worminfecties, zoals de spoelworm. Varkens worden er niet écht ziek van, maar ze gaan hoesten als de worm in de longen terecht komt, een infectie is slecht voor de weerstand en biggen kunnen bezwijken aan een zware infectie.

Hoeveel beesten precies ziek zijn, wat ze mankeert en hoe veel last ze daarvan hebben, weet niemand – op boerderijen worden geen zieke dieren geteld. Alleen long- en worminfecties worden goed bijgehouden, omdat slachterijen zo de prestaties van de boer bepalen. Qua long- en leverschade zijn de verschillen tussen gangbare en biologische bedrijven de laatste vier jaar wel duidelijk gekrompen, blijkt uit de cijfers van VION, de grootste slachterij van Nederland die ook bioslachterij De Groene Weg bezit. Steeds meer bioboeren ontwormen hun varkens, met de chemische medicijnen die de eko-keurorganisatie Skal toelaat. Jan Leeijen van De Groene Weg: “Als de besmetting zo groot is, moet je die middelen wel gebruiken.” Zijn VION-collega Bert Urlings: “Voorheen hoorden we vaak dat de boeren dat toch niet wilden. Het is toch een beetje religie.”

In blauwe overall en groene rubberlaarzen wijst Nico van den Broek in Hilvarenbeek aan wat er is veranderd, toen hij vijf jaar geleden biologisch ging boeren. Het was in de tijd dat veel boeren omschakelden, gedreven door subsidies en de door de varkenspest toegenomen belangstelling van consumenten. Van den Broek: “Ik wilde al jaren van al die medicatie af. En het was donker in de stal, de hokbezetting was hoog, het stond me steeds meer tegen. Ik wilde een ander systeem, dat ook minder zou kosten aan stroom en verwarming. Biologisch, dat was het voor ons: open, stro, en lekker fris in de stallen.” Het aantal bedrijven daalt nu weer een beetje: er zijn 80 bedrijven met vleesvarkens, 57 ‘vermeerderingsbedrijven’ met zeugen en biggen – en gecombineerde bedrijven die in beide categorieën vallen. Ter vergelijking: er zijn tienduizend gewone varkensboeren in Nederland.

Drie keer zo groot is Van den Broeks bedrijf geworden, terwijl het aantal varkens gelijk bleef. Hij maakte uitlopen naar buiten, de hokken werden groter en er kwam stro in. Het opvallendst is het zeugenverblijf. De in onbruik geraakte metalen hekken zijn er nog, die de zeugen vroeger ordenden als in een parkeergarage. Ernaast lopen en liggen de grote zeugen nu in het stro. Le Bain Turc van Ingres, maar dan met mest. Achterin lopen de zeugen naar de wei.

Op het oog en oor heeft de Brabantse varkenshouder nauwelijks zieken. Hij wijst wel een big aan met een pootontsteking, en een ander varken heeft een groot abces op zijn buik. Maar zoveel boeren die zich erg zorgen maken om zieke varkens? Hans Donkers, boer en secretaris van de Nederlandse Vereniging van Varkenshouders, snapt het ook niet. “Ik heb nu veel minder longproblemen dan toen ik nog gangbaar was.”

Maar, zo schrijven Binnendijk en Van der Peet ook: de verschillen tussen varkenshouderijen zijn groot. Carola van der Peet, aan de telefoon: “Gemiddeld had 22 procent van de varkens bij de slacht pleuritis [borstvliesontsteking, red.] gehad. Maar het hoogste percentage op een bedrijf in onze studie was 37 procent.”

Waar moeten juist die boeren dan op letten? De leefomstandigheden, legt veearts Arie van Nes van de Universiteit Utrecht uit – hij is gespecialiseerd in varkens. “Het is nu eenmaal moeilijker. De vrije uitloop is een goed streven, maar je hebt wel altijd een tochtgat en dat is lastig. Net als stro: dat is supergoed, het welzijn is absoluut beter. Maar het nadeel is dat het minder hygiënisch is, zodat je meer ziektekiemen hebt. Wat zwaarder weegt? Ik weet het niet.”

Boer Nico van den Broek vertelt dat hij het zelf meemaakte, toen hij in 2001 omschakelde van een gewoon naar een biologisch bedrijf. De zeugen die gewend waren om altijd warm te liggen, gingen in de winter voor het eerst de koude biostal in en kregen ander voer. “Ze hadden er in het begin veel moeite mee. Ik merkte: je wordt een heel andere boer.”

Het rapport dat Binnendijk en Van der Peet hebben geschreven, is heel handig, zegt Van den Broek. “Er is niet zoveel praktische ervaring, en wat er wél is, staat er voor 99 procent in.” Daar zijn veel praktische hygiënemaatregelen bij: als er nieuwe varkens in het hok komen, dan alles schoonmaken. Voldoende stro gebruiken, zodat de biggen warm blijven. Geen varkens van de ene groep naar de andere zetten. Biggen ontwormen, en zo nog wat.

Maar niet alle moeilijkheden zijn door ervaring uit te bannen. Volgens de EU-regels mag een biologische varkensboer zijn varkens in hun leven maar één behandeling geven met een chemisch medicijn zoals een antibioticum; vaccins en antiparasitaire middelen zoals wormmiddelen zijn uitgezonderd op die regel. Gebruikt een boer meer medicijnen dan toegestaan, dan mag het varken niet meer als biologisch verkocht worden – en dat scheelt ongeveer de helft van de verkoopprijs. Van den Broek: “Een gangbare boer kan acht van de tien problemen met medicijnen oplossen.”

onderbehandeling

Het zou dus kunnen, zegt bioboer Hans Donkers, dat bij biologische boeren ‘de drempel om te behandelen wat verder weg ligt’. De Europese groep onderzoekers van de SAFO suggereert dat het zelfs zou kunnen dat de boeren nuttige behandelingen vermijden. Maar onderzoeker Aize Kijlstra van de Animal Sciences Group liet in een onderzoek uit 2004 zien dat bijna geen enkele Nederlandse biologische varkensboer normale medicijnen vermijdt – preventieve wormbehandelingen zijn zelfs vrij populair. Op heel principiële boeren na zijn er geen aanwijzingen voor onderbehandeling, zegt hij. “De boeren hebben hart voor hun dieren.”

Wat volgens Kijlstra belangrijker is, is dat er geen rassen gebruikt worden met een goede weerstand. “Er zou meer op gezondheidsparameters gefokt moeten worden. Maar economie speelt een belangrijke rol, waardoor er juist gefokt wordt met varkens die goed vlees leveren.” Omdat bio-varkenshouders door de Groene Weg-slachterij gekort worden als ze varkens met relatief weinig vlees en veel spek afleveren, begonnen veel boeren hun zeugen te bevruchten met de Piétrain-beer. Die staat bekend om het hoge vleespercentage, maar niet om zijn goede weerstand.

En dan het voer. Elk vleesvarken moet ruim anderhalf pond per dag aankomen om in een half jaar klaar te zijn voor de slacht. Daarvoor krijgen de varkens speciaal voer, met onder andere toegevoegde synthetische aminozuren en enzymen om de opname van voedingsstoffen te bevorderen. Maar die mogen niet in biologisch voer: te synthetisch, en bovendien met hulp van genetische manipulatie gemaakt. Carola van der Peet, zelf voedingskundige: “Dat synthetische aminozuren niet mogen, daar snap ik zelf de achtergrond niet van. Ze zijn absoluut niet schadelijk, en de fytases [de toegevoegde enzymen, red.] ook niet. Het zou anders makkelijker zijn om een goed voeder te maken.”

onverteerde eiwitten

Ook de andere grondstoffen moeten voor 85 procent biologisch zijn (vanaf 2012 zelfs volledig), en dat maakt het moeilijk om aan goede eiwitbronnen te komen. Soja komt van te ver weg om nog duurzaam te zijn (Zuid-Amerika), biologisch vismeel bestaat niet, en restproducten uit biologische zuivelproductie zijn duur en moeilijk te krijgen. Van der Peet: “Je wilt biggen bij het spenen voer geven dat gemakkelijk op te nemen is, maar het grootste probleem bij een totaal biologisch dieet zijn de eiwitbronnen. Doordat we geen synthetische aminozuren mogen toevoegen, kun je te veel onverteerde eiwitten in de dikke darm krijgen en daar krijgen ze diarree van. Het is moeilijk.”

De Europese SAFO-werkgroep raadde de Europese Commissie deze zomer aan om diergezondheid explicieter als doel op te nemen in de regels voor biologische landbouw, en om bij de inspectie ook echt naar de gezondheid van het vee te kijken.

Meer over veehouderij: het magazine M beschrijft het leven van drie vleeskippen in de bio-industrie.

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Vatbare varkens (2 december, pagina 45) staat dat biologische vleesvarkens een half jaar leven. In De leverworst is klaar, de winter kan beginnen (2 december, pagina 55) staat dat deze varkens tien maanden leven. Dit laatste geldt voor een kleine minderheid van de biologische varkens. Het overgrote deel van de varkens wordt geslacht door slachterij De Groene Weg, als ze zes maanden oud zijn.