Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

Gluren onder water

Voor het eerst vertellen Nederlandse bemanningsleden van onderzeeboten over hun spionagemissies tijdens de Koude Oorlog. „We mochten zelfs onze vrouwen niet vertellen wat we deden.”

Het bevoorradingsschip Berezina, in de cirkel de toren van een onderzeeboot van de Tango-klasse Foto’s uit archieven Onderzeedienst
Het bevoorradingsschip Berezina, in de cirkel de toren van een onderzeeboot van de Tango-klasse Foto’s uit archieven Onderzeedienst

Ze voeren met de Tijgerhaai op periscoopdiepte in de Golf van Hammamet, Tunesië. Het water was spiegelglad. In de commandocentrale keek hij op het beeldscherm van de televisiecamera in de periscoop. Die was ingezoomd op een sovjetfregat, eentje van de Mirka-klasse. Hij zag wat matrozen die over de reling hingen van het fregat en een sigaret rookten. Toen gebeurde het. Eén van die kerels wees recht in de lens. Naar hem!

„Je snapt”, zegt de kapitein-ter-zee buiten dienst Robin Snouck Hurgronje in zijn tuin in Wieringerwaard, „dat werd een noodduik. We wisten namelijk niet hoe die sovjets zouden reageren. Van een aanval op ons hadden ze zó kunnen zeggen dat het een oefening was. En dat we daar dan maar niet stiekem hadden moeten rondvaren.”

Snouck Hurgronje (58) was aan het begin van de jaren tachtig officier op de Nederlandse onderzeeboot Tijgerhaai. Later werd hij commandant van de Zwaardvis. Het was het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Ondanks ontwapeningsconferenties en hotlines tussen het Witte Huis en het Kremlin heerste er groot wantrouwen tussen Oost en West. Elkaar bespioneren was de belangrijkste methode om een verrassingsaanval te zien aankomen. Dat gebeurde met satellieten, met spionagevliegtuigen, met spionnen van vlees en bloed. En met onderzeeboten. Ook Nederlandse.

Nu de Koude Oorlog alweer zeventien jaar achter ons ligt, verjaart de straffe zwijgplicht die Defensie oplegde aan de betrokken bemanningsleden. „Wij mochten onze echtgenotes destijds niet eens vertellen wat we deden”, zegt kapitein-ter-zee Berrie Monster (62), oud-commandant van de Potvis bij hem thuis in Kerkdriel. Snouck Hurgronje: „De meeste bemanningsleden werden tijdens die missies in het ongewisse gehouden over waar ze naar toe gingen.” Will Falkmann, elektrotechnicus aan boord van verschillende onderzeeboten in die tijd: „We voelden aan de kou of we naar het noorden voeren. Werd het warmer, dan gingen we dus zuidwaarts.”

Mógen praten is nog altijd iets anders dan wíllen praten. De reflex om de lippen stijf op elkaar te houden over de missies met codenamen als Faceless Fable, Candid Carnival en Giddy Golfer is bij veel oudgedienden nog even sterk als in de tijd van de Koude Oorlog.

Snouck Hurgronje wil wel praten. Hij heeft bijna twintig jaar bij de Onderzeedienst gewerkt en zat soms drie maanden achtereen op – en onder – zee. De zee bepaalt nog steeds zijn leven. Na de Onderzeedienst was hij enige jaren kapitein van de klipper Stad Amsterdam. En hij heeft zitting in Sail Training International, de organisatie die jaarlijks de Tall Ships Races met grote zeilschepen organiseert. Als hij niet zelf aan het zeilen is.

Snouck Hurgronje praat met grote bescheidenheid over de spannende spionagemissies.

De archieven zijn sinds kort op een kiertje gezet, mede omdat de Onderzeedienst deze maand honderd jaar bestaat. Het is niet meer dan een kiertje. Operationele gegevens die iets kunnen vertellen over actuele missies, bijvoorbeeld over patrouilles in de Arabische Golf en de Indische Oceaan, zijn nog steeds geheim.

Kat-en-muisspel

Paar onderzeeboten aan Koude Oorlog en voor het geestesoog verschijnt een kat-en-muisspel tussen vijanden in ijskoude wateren, mede dankzij de boeken van Tom Clancy, zoals The Hunt for Red October. Dat beeld is onjuist, althans voor zover het de koude wateren en de Nederlandse Onderzeedienst betreft. Die was met een half dozijn boten vooral actief in de Middellandse Zee.

Die zee had volgens Snouck Hurgronje voor het Oostblok een strategische waarde die door het publiek werd onderschat. „We gingen ervan uit dat sovjetvloten in het geval van een Derde Wereldoorlog naar de Atlantische Oceaan zouden proberen te komen om trans-Atlantische konvooiroutes aan te vallen. Dat kon via de noordelijke Atlantische Oceaan en de Oostzee, maar ook via de Straat van Gibraltar.”

Gibraltar zou in de praktijk moeilijk te passeren zijn. Bovendien kampte het SOVMEDRON, zoals de mediterrane sovjetvloot in NAVO-jargon heette, met een tekort aan vlootbases. „De Arabische landen waren niet echt sovjetgezind”, zegt Snouck Hurgronje. Ze wilden geen militair sovjetpersoneel in het straatbeeld. „Ze stonden in de jaren zeventig wel toe dat de Russen ankerplaatsen inrichtten aan de rand van hun territoriale wateren.” Buiten het zicht vanaf de kust.

Die ankerplaatsen verschenen overal in de Middellandse Zee: in de Tunesische Golf van Hammamet, bij Sollum in Egypte, maar ook bij het Griekse eiland Kythira. „De Russen legden daar van alles neer: technische werkplaatsen, tankers, bevoorraders, hospitaalschepen. En de operationele eenheden kwamen daar af en toe langs. Wij moesten ze daar in de gaten houden.”

Dat uitgerekend Nederlandse, dieselelektrisch aangedreven boten in de Middellandse Zee actief waren, had dezelfde reden als waarom ze tegenwoordig in de zeeën rond het Arabische schiereiland varen: ze kunnen veel beter in ondiep water opereren dan de grote nucleaire onderzeeboten van de Amerikanen, Fransen en Britten.

Het was van levensbelang dat de Russen niet wisten waar Nederlandse onderzeeboten lagen. Vandaar dat alle onderzeese bewegingen gecoördineerd werden. Dat deed de Commander Task Force 69, een Amerikaanse bevelhebber van het NAVO-hoofdkwartier in Napels. Snouck Hurgronje: „Je moest niet hebben dat escorteschepen of helikopters van een eigen NAVO-smaldeel per abuis achter jou aan gingen. De sovjets zouden dan weten dat er een onderzeeboot in de buurt was die niet van hen was. Dan was dus je positie verraden.”

Op de ankerplaatsen lagen soms wel zeventig sovjetschepen. Snouck Hurgronje: „De eerste opdracht was kijken welke schepen er lagen.” Om een interessant schip te bekijken, moest van ver af een koers worden bepaald. Alles wat lawaai maakte, werd uitgezet of vastgesjord. Vervolgens ging de boot in deze Ultra Quiet State op weg, daarbij navigerend op het geluid van trekkende ankerkettingen, scheepsmotoren en andere lawaaibronnen. Aan de hand van de informatie op de beeldschermen van de sonarsystemen viel vervolgens haarfijn uit te rekenen wanneer de boot ter hoogte van het doelschip was aangekomen. Dan ging de periscoop eventjes omhoog en klikten de camera’s.

Dat ze vlakbij de sovjetschepen opereerden, betekende ook dat ze met de sonar akoestische vingerafdrukken konden maken van de tegenstanders. Zo konden ze leren herkennen hoe het klonk als een sovjetboot zijn torpedoluiken opende, hoe lang het duurde voordat de torpedo dan zijn buis zou verlaten en hoe een torpedo klonk die met zijn eigen sonar op zoek ging naar doelen. „Ook luisterden we naar de onderwatertelefoon waarmee de Russen hun onderzeeboten ‘blind’ naar de ankerplaats praatten”, zegt Hurgronje.

De boten werden voor iedere missie tot in de puntjes voorbereid en voorzien van op maat gesneden spionageapparatuur. „Dat ging er eerst nogal amateuristisch aan toe”, vertelt technicus Will Falkmann. „Zo haalden we gewoon bij een dumpwinkel een scanner en die pasten we aan, zodat we het radioverkeer van de Russen konden onderscheppen. Daar hadden we maar een enkele antenne voor. Dat sprietje moest alle frequenties oppikken: VHF, UHF.”

Het maken van filmbeelden was volgens Falkmann ook niet eenvoudig. „We leenden van de Amerikanen camera’s. Periviz heetten die, en die moesten dan op onze periscoop worden gemonteerd. Aanvankelijk draaide de camera naar links als je op de knop ‘rechts’ drukte.”

Behalve de kwaliteit van de techniek was ook die van het personeel belangrijk. Snouck Hurgronje: „De commandanten vochten om de beste geruispeilers.” Alles wat ze zagen, hoe triviaal ook, kon van belang zijn. „Op een keer zagen we hoe een commandant van een sovjetonderzeeboot van de Tango-klasse in vol ornaat met een sloep op een Krivak-klasse kruiser werd afgezet. Hij ging zich kennelijk afmelden bij de commandant van de Task Force.” Mogelijke conclusie: die Tango zou een tijdje blijven liggen en die Krivak was een belangrijk schip. In geval van oorlog zou die Krivak het eerste schip zijn dat moest worden aangevallen.

„Wat opviel was dat die Russische onderzeeboten zich altijd verscholen en dus aan de landzijde van de bevoorradingsschepen waren afgemeerd. Hun ankerplaatsen lagen altijd binnen de territoriale 12-mijlszone van Egypte en Tunesië. Om die onderzeeboten te bekijken, moesten we dus de Arabische territoriale wateren binnendringen. Officieel mocht dat niet. Maar ach, resultaat telt en de Arabieren letten er niet zo op. Als er narigheid van was gekomen, had ik gewoon gezegd dat we een navigatiefout hadden gemaakt.”

Ze konden niet ongelimiteerd in de nabijheid van de sovjetschepen blijven rondvaren. Want de batterijen konden opraken. Om de zoveel tijd moesten luidruchtige dieselmotoren draaien om die batterijen voor de elektromotoren op te laden. Daarvoor moesten ze ver uit de buurt, en meestal ’s nachts, ‘snuiveren’: lucht naar de dieselmotoren voeren via een pijp naast de periscoop. Tijdens dat snuiveren konden ook de antennes omhoog om, via de zogeheten ‘omroep’, actuele informatie over sovjetscheepsbewegingen te krijgen of de laatste orders te ontvangen.

De kans op ontdekking bestond bij iedere missie. En hoewel de sovjets dan misschien niet ogenblikkelijk de aanval zouden open, konden er wel altijd ongelukken gebeuren. Snouck Hurgronje: „Zo zaten we een keer uren achter een Echo-klasse onderzeeboot aan. Hij maakte zich klaar voor onder water. We hingen er uren achteraan. Daarna ging hij diep en verdween. We wisten absoluut niet waar hij zat en wat hij van plan was. Dat was een gevaarlijke situatie. We hebben alle apparatuur toen afgezet, op de sonar na. De onderzeeboot was zodanig afgetrimd, dat zij bleef zweven onder water. We hebben het grootste deel van de bemanning naar bed gestuurd, om lucht te besparen. Zo hebben we daar 32 uur lang in totale stilte gelegen. Van de Echo hebben we niets meer gehoord.”

Kikvorsmannen

Eén van de moeilijkste manoeuvres om meer over de sovjeteenheden aan de weet te komen, was de zogenoemde underwaterlook: het door de periscoop bekijken van de onderkant van sovjetoorlogsbodems, oppervlakteschepen én onderzeeboten. Toch was de onderwaterblik voor Nederlandse onderzeeboten routine. Rompen, boegen en plechten van de sovjetboten stonden in de belangstelling bij de inlichtingendiensten omdat zich daar mogelijk luiken zouden bevinden waar minionderzeeërs of kikvorsmannen uit tevoorschijn konden komen. De latere chef van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), vice-admiraal Nico Buis, maakte tijdens zijn tijd bij de Onderzeedienst naam met het ‘luik van Buis’ dat hij had gespot.

Ook het aantal schroefbladen kon iets verraden over de capaciteiten van de vijandelijke onderzeeboten. Ongezien onder een oorlogsschip doorsluipen is lastig omdat dit alleen overdag kan en in helder water. Ankerkettingen en andere kabels hielden ook risico in.

Berrie Monster herinnert zich hoe hij als commandant van de Potvis bij Noord-Ierland een underwaterlook uitvoerde van een AGI, een tot sovjetspionageboot omgebouwd vissersschip. „Die AGI lag meestal boven een ondiepte. Dat was niet voor niets. Die lui wilden gewoon niet dat ze van onder bekeken werden. Af en toe voer hij weg, bijvoorbeeld om een verderop langsvarende Amerikaanse onderzeeboot te bekijken. Het was mijn opdracht om er bij zo’n gelegenheid onder te kruipen. Dat lukte op goed moment. Maar het water daar was zo troebel dat op de beelden later niets was te zien.”

Het water in de Middellandse Zee was meestal wel helder. Snouck Hurgronje: „Je moest van tevoren precies weten waar een schip lag zodat je erheen kon navigeren. Het handhaven van de juiste diepte was essentieel. De periscoop moest zo dicht onder de romp door dat er nog wat te zien was.” Soms zagen ze zelfs door een paar meter water heen vissende sovjetmatrozen over de reling gebogen. Die hadden bijna een zeventig meter lange, stalen tijgerhaai aan de haak geslagen.

In 1989 viel de Muur. In 1991 werd het Warschaupact ontbonden. In dat jaar zeeg ook de Sovjet-Unie ineen. De Koude Oorlog was afgelopen. Snouck Hurgronje was als militair attaché in Turkije in de gelegenheid om de oude vijand van nabij te bekijken. „Ik heb nog wel eens een Russische Kilo-klasse onderzeeboot van binnen gezien. Ik dacht toen meteen: dat we daar nou al die tijd bang voor zijn geweest.”

Over zijn spionagemissies onder water kon hij al die tijd niet veel kwijt. Op een keer na. „Als attaché kwam ik er achter dat mijn Russische collega-marineattaché commandant was geweest van een bevoorradingsschip, waar ik dagenlang achter heb gehangen. We spraken erover en hij bleek al die tijd niets van onze aanwezigheid te hebben gemerkt. Daar hebben we toen een glas wodka op gedronken.”

De vraag dringt zich op wat dit onderzeese kat-en-muisspel het Westen nu eigenlijk heeft opgeleverd, behalve wat spannende verhalen van onderzeebootbemanningen. Die vraag is niet te beantwoorden, omdat de Koude Oorlog nooit in een Derde Wereldoorlog is ontbrandt. Wel kan worden gezegd dat het wederzijds aanstaren en inschatten van de tegenstander het gebruik van wapens verhindert. De Onderzeedienst droeg daartoe bij.

Deze maand viert de Onderzeedienst het honderdjarig bestaan. Het jubileumboek ‘Klaar voor onder water’ (Aprilis) gaat over de Koude Oorlog-missies.