‘Geef mij maar hockeymeisjes’

‘Godzijdank was ik net weg van het Montessori College Oost, een zwarte vmbo-school in Amsterdam, toen Theo van Gogh werd vermoord. De leerlingen haatten die man tot op het bot. Hoe vaak kwamen ze niet verontwaardigd zwaaiend met de Metro de klas binnen: ‘Moet je kijken wat die kankervarken nou weer geschreven heeft!’ En ik gaf ze altijd gelijk. Maar op het moment dat hij vermoord was, zou ik Van Gogh verdedigd hebben, en dan was ik weer op een muur van onbegrip gestuit.

Voordat die vliegtuigen in de Twin Towers vlogen, was er niks aan de hand. Ik had het naar mijn zin op de school. Ik had het gevoel dat ik nuttig werk deed, dat ik een bijdrage leverde aan de integratie. Maar toen ik de dag na 11 september op school kwam, schrok ik me dood. Leerlingen die opgetogen riepen dat Amerika in brand stond, en dat de joden dat gedaan hadden. De haat die opeens naar boven kwam, daar sloegen bij mij de stoppen van door. Ik heb me ziek gemeld, ik wist het even niet meer. Altijd had ik mezelf voorgehouden dat ik zou ophouden met lesgeven als ik het niet meer leuk vond. Een leraar die niet goed in zijn vel steekt, is geen goede leraar. Wat je geeft, is wat je krijgt.

Dat ik toch gebleven ben, komt omdat ‘allochtoon’ opeens een scheldwoord werd, en moslims werden gedemoniseerd. Het gaf me de nodige bezieling om door te gaan. Ik hoopte dat ik toch nog wat kon betekenen voor die kinderen die in het verdomhoekje zaten.

Ik heb jaren professioneel als popmuzikant gewerkt, dat beschouwde ik als mijn eigenlijke beroep. Mijn eerste baan in het onderwijs die ik leuk vond, was daar op het MCO. Mijn hart lag bij die zwarte kinderen, ik vond ze eerlijker, directer, minder gecompliceerd dan witte kinderen. Uit nieuwsgierigheid naar hun belevingswereld ging ik in de klas met ze in gesprek over maatschappelijke onderwerpen. Dat is het leuke van het vak Nederlands. Daarbij kan eigenlijk alles. Bovendien was het MCO een school die midden in de maatschappij wilde staan, wat goed tot uitdrukking kwam in het prachtige, transparante gebouw van Herman Hertzberger. Vanuit die gedachte sprak ik met de kinderen, opboksend tegen hun agressie en hun boosheid.

Als ik bij grammaticales een zinnetje op het bord schreef: ‘Je moeder loopt op straat’, riepen ze: ‘Hé, wat praat je nou over me moeder?’ Zo’n woord op het bord wekte meteen woede, vooral bij de jongens. De meeste meisjes, zo is mijn ervaring, wilden wel graag leren en verder komen. Maar de jongens waren altijd in de aanval, en ze hadden met de koran in de hand altijd gelijk. Als ik problemen had met een leerling, ging ik soms naar meester Mohammed, die kende de koran en voor hem hadden ze groot respect. Een keer zat zo’n jongen van zeventien, achttien, binnen twee minuten te huilen. Het was tijdens de ramadan. Ik vertelde meester Mohammed hoe het gesprek met de leerling gegaan was: dat hij me een grote bek had gegeven en gedreigd had me een klap te geven. Meester Mohammed riep: ‘Wát, heb jij je hand opgeheven tegen de meester? Met ramadan? Ga maar eten, ga maar drinken. Jouw ramadan is niks.’ Fijn, zo’n collega waar je altijd terecht kan, vond ik toen. Nu denk ik: het is te gek om los te lopen dat ze geen respect voor mij hadden, en wel voor Mohammed, alleen omdat hij moslim was en ik niet.

Het is iets wat je in de loop van je leven leert, dat mensen niet te veranderen zijn. Toch heb ik lang gedacht dat ik die kinderen ten minste kon laten zien wat mijn, onze waarden zijn, en dat ze daar wat van zouden meepikken. Dat meisjes niet minder zijn dan jongens, dat er niks mis mee is om homo te zijn of jood. Dat je niet met grafkransen gaat gooien bij dodenherdenking. Maar als die kinderen thuis altijd het tegenovergestelde horen, breek je daar als docent niet doorheen. Homo’s moeten dood, zegt een jongen. En als je zus nou lesbisch is, vraag ik. Hij gaat met zijn hand langs zijn keel.

De ergernissen en frustraties waar ik na elf september 2001 last van had, kenden de meeste collega’s niet in die mate. Velen draaiden gewoon hun lessen af, en vermeden gesprekken over gevoelige onderwerpen. Dat is de enige manier om het vol te houden, denk ik. Misschien had ik me ook gewoon moeten beperken tot de lesstof. Dat is tenslotte waar die kinderen voor naar school komen, om te leren dat je paard met een ‘d’ schrijft en niet met een ‘t’.

Ik had op het MCO een fantastische collega, een hele strenge tante die de wind eronder had in de klas. Ongelofelijk. Je kon een speld horen vallen. Voor haar hadden de leerlingen een mateloos respect. Elk jaar nam ik me voor om het te gaan doen zoals zij.

De druppel was de moord op die leraar in Den Haag, Hans van Wieren. ‘Jongens, het is verschrikkelijk wat daar gebeurd is’, zei ik. Unaniem was de reactie, in elke klas: ‘Maar dan hebt ie wat gedaan, die leraar. Je schiet niet iemand zomaar dood.’ Ik probeerde nog: ‘Maar je mag toch nooit iemand vermoorden? Stel nou dat je broer wordt doodgeschoten?’ En dan gingen ze weer, boos: ‘Wat praat je nou over me broer?’

Ik heb staan vloeken en tieren voor de klas. Ik was helemaal over mijn toeren. Niemand begreep dat het een verschrikkelijke daad was. Toen dacht ik: ‘Jullie leven op een andere planeet, ik heb het zes jaar geprobeerd, nu geef ik het op.’

Aan de persoonlijke contacten die ik had met de leerlingen, lag het niet. Ik heb veel vriendelijkheid ontmoet. Met het Suikerfeest nam iedereen koekjes mee, en als ik op huisbezoek ging, ontvingen de ouders mij allemaal even hartelijk. Sommige oud-leerlingen spreek ik nog weleens op msn, en dan is het: ‘Hé meester, fawakka, hoe gaat het?’

Voor ik definitief besloot om weg te gaan, heb ik Rob Oudkerk nog gebeld, de toenmalige wethouder van Onderwijs. Via zijn secretaresse had ik laten weten dat hij hoognodig eens moest komen kijken om te zien hoeveel haat en ellende er op zo’n zwarte vmbo-school is. Dezelfde dag nog nam hij contact op en zei hij dat hij graag een keer wilde komen. De dag erna moest hij aftreden wegens dat prostitutieschandaal.

Het is geen toeval dat ik hier terechtgekomen ben, op het Eerste Christelijk Lyceum in Haarlem. Ik heb bewust gezocht naar een school die ík leuk vond. Op de open dag was ik hier gaan kijken, en zag twee meisjes quatre-mains spelen. Ze kwamen van het podium af, en één meisje omhelsde een jongen, gewoon uit vriendschap. Ik kreeg er kippenvel van, dat had ik zes jaar niet meegemaakt. Dat kán helemaal niet, een Turks of Marokkaans meisje dat zomaar een jongen omhelst. Stel je voor dat iemand dat zou zien! Iedereen houdt elkaar angstig in de gaten. De sociale controle is enorm.

Ik kom uit een heel links nest, en ik ben opgevoed met het ideaal van gelijke kansen voor iedereen. Dat zit in me. De term ‘ons soort mensen’ is een vloek in die kringen. Maar het is voor mij wel een feest op deze witte school, met kinderen van wie de ouders bijna allemaal hoger opgeleid zijn dan ik. Ze hebben gitaarles, net als ik vroeger had. Op vakantie gaan ze naar kerken en musea. Ik hoef niet uit te leggen wie Koot en Bie zijn. Naar Parijs gaan met vier havo en dat het dan gewoon een hele leuke reis is, zonder incidenten.

Op die zwarte school hield je op schoolreizen altijd je hart vast. Net als met schoolfeesten. Daar werden collega’s voor vuile kankerhoer uitgescholden. Geef mij dan maar hockeymeisjes. Als linkse student heb ik het corps bestormd in Leiden, als achttienjarige heb ik met mijn punkbandje gezongen ‘alle ballen dood’, maar nu denk ik: ‘hockey maar lekker meiden, sporten is goed voor je’. Wintersport: prima. Op mijn vorige school mochten sommige meisjes in de kerstvakantie twee weken lang de deur niet uit.”

Opgetekend door Brigit Kooijman

Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam