Uitspraken Hirsi Ali maakten moslimvrouwen weerbaar

Moslima’s hebben weinig op met Ayaan Hirsi Ali, hoewel die zei hun belangen te verdedigen. Maar de scherpe kritiek van Hirsi Ali heeft de weerbaarheid onder moslimvrouwen versterkt, vindt Yolanda van Tilborgh.

Ayaan Hirsi Ali zag zichzelf als „voorvechtster van de rechten van moslimvrouwen’’. Maar het is juist haar niet-aflatende inzet voor onderdrukte moslima’s geweest waardoor veel moslimvrouwen van allerlei achtergronden, zeggen dat zij haar niet te pruimen vonden. De verklaring voor deze paradox ligt in machtsongelijkheid. Veel moslima’s zeggen het gevoel te hebben dat Hirsi Ali bepaalde in welke termen over hen werd gesproken en met welk beeld.

Hoewel zij ook een nieuwkomer was, werd Hirsi Ali door veel moslima’s gezien als een deel van het establishment, een gevestigde macht die negatieve en stereotiepe uitspraken deed over moslimvrouwen en hen op die manier buitensloot.

Met haar scherpe opvattingen maakte Hirsi Ali van de moslima’s een probleem en ontkende zij het emancipatiestreven onder hen. Moslima’s werden verdacht bij ‘de Hollanders’. Zelf zagen zij geen kans om mee te bepalen wat zij als onderdrukking ervaren, om mee te praten over de betekenis van integratie. Met haar dwingende formuleringen schiep Hirsi Ali nieuwe definities van moslims, die het beeld bepaalden bij het grote publiek – een beeld waarop moslima’s zelf geen enkele invloed hadden.

De kritiek op Hirsi Ali heeft haar status en haar rol in het debat alleen maar versterkt. Tegenstanders beschuldigden haar ervan de problematiek van onderdrukte moslimvrouwen buitensporig naar voren te brengen. Hiermee zou zij de maatschappelijke cohesie tussen burgers in Nederland verwoesten. Iemand zo’n grote invloed toeschrijven vergroot alleen maar haar status.

Bovendien vult de kritiek op Hirsi Ali onbedoeld haar beschrijving van moslima’s als onderworpen vrouwen aan. Haar critici hebben moslims gekarakteriseerd als „afgewezen, op de ziel getrapte, in de hoek gezette mensen” (socioloog Shervin Nekuee). De vrouwen onder hen moeten „worstelen om te kunnen emanciperen” (filosoof Marc Slors). Allemaal goedbedoelde uitspraken waarschijnlijk, maar hiermee wordt het slachtofferschap onderstreept en de asserviteit van moslima’s geproblematiseerd. Door op deze manier te praten nemen zowel medestanders als tegenstanders van Hirsi Ali haar visie over.

Dat er zoveel kritiek kwam op Hirsi Ali dat zij door een meerderheid van de gevestigde orde – de politieke elite, met ondersteuning van de parlementaire pers – werd verguisd, verandert weinig aan dat beeld. Haar kritiek klinkt lang door, en dat bevestigt zekere vermoedens van moslima’s over sluimerende anti-islamgevoelens onder autochtonen. Dat Hirsi Ali’s positie op een gegeven moment is gaan wankelen, blijkt tot de meeste moslimvrouwen nauwelijks te zijn doorgedrongen.

Hirsi Ali’s dominante rol in het debat heeft wel een verrassend effect gehad. In tegenstelling tot voorheen konden moslima’s hun gevoelens over maatschappelijk onrecht projecteren op één figuur. Dat schiep een band en hielp moslima’s hun emoties over negatieve stereotypering beter te verwoorden. Het gevoel van een gedeelde moslimidentiteit werd sterker.

Deze ontwikkeling leidde tot tal van versluierde strategieën onder moslima’s. Ze hebben zich niet teruggetrokken in een hoek, zoals je volgens de negatieve stereotypering van veel van Hirsi Ali’s tegenstanders zou verwachten. Publiekelijk veinzen ze inschikkelijkheid, zo blijkt uit gesprekken met moslima’s, maar dat combineren ze met tactieken van bedekt verzet.

Dat doen ze bijvoorbeeld door te zoeken naar overeenkomsten tussen moslims en christenen. Of door nieuwe opvattingen te formuleren over goed en fout, opvattingen die zo gelaagd zijn dat moslims én niet-moslims zich hierin kunnen vinden. Of door te proberen religie te ontkoppelen van cultuur. Met die laatste strategie kunnen moslima’s de beschuldiging weerleggen dat de islam vrouwenmishandeling zou legitimeren, en kunnen zij misstanden toeschrijven aan Somalische, Turkse of Marokkaanse culturele gebruiken. Zo blijven moslimvrouwen met verschillende groepen in dialoog en houden ze de islam zuiver. Door twijfel te uiten over hun eigen cultuur maken ze bovendien een welwillend gebaar in de richting van toonaangevende autochtonen als Paul Scheffer, die pleit voor culturele aanpassing.

Deze versluierde rebellie is een poging om de machtsongelijkheid te verminderen en met behoud van zelfrespect in gesprek te komen met andere Nederlanders. Lijdzaamheid vind je weinig onder moslima’s, wel een nieuw soort bewustzijn, waarbij de sociale orde niet meer als onvermijdelijk wordt beoordeeld. Natuurlijk kun je niet alle moslima’s over één kam scheren. Maar in hun reactie op de macht van Hirsi Ali om de termen te bepalen waarin de discussie over moslima’s wordt gevoerd, zit een opmerkelijke, ongecoördineerde gemeenschappelijkheid. Hirsi Ali heeft het aanvankelijk moslima’s moeilijk gemaakt om zelf te bepalen wat goed en slecht is aan hun mannen en aan hun religie. Maar daarmee heeft zij hen er ook toe aangezet in beweging te komen, kritiek te formuleren, te proberen ruimte te vinden voor het eigen geluid.

Het zou best kunnen dat Wilders met zijn anti-islamopvattingen hier een nieuwe prikkel voor wordt. Zo ontstaat een voedingsbodem voor weerbaarheid en wordt de burgerschapsvorming versterkt, zo kunnen moslima’s aangeven: ook wíj zijn Nederland.

Yolanda van Tilborgh is cultuursocioloog. Vandaag verscheen van haar ‘Wij zijn Nederland: Moslima’s over Ayaan Hirsi Ali’.