Sint

Het gebeurde op een middag in Amsterdam, een zondagmiddag nog wel, toch bij uitstek een dagdeel waarop kinderdromen veilig zouden moeten zijn.

Aan de voet van de brug die van de Herengracht naar de Leliegracht voert, stond Sinterklaas. In vol ornaat en in zijn eentje. Geen Piet of schimmel te bekennen. Het was op het eerste gezicht niet duidelijk wat de Sint daar uitvoerde. Hij stond nogal ontheemd voor zich uit te kijken, af en toe meewarig zwaaiend naar een toevallig passerend kind. Was hij de weg kwijt en van zijn gevolg afgesneden? Of had men hem in een van de naburige cafés na overvloedig drankgebruik op straat gezet? Een Sint wil ook niet altijd een heilige zijn.

Opeens merkte ik dat de Sint wachtte op bevelen die hem van de overkant moesten bereiken. Daar had zich een omvangrijke filmploeg opgesteld met de nerveuze drukte die daarbij hoort: luide stemmen, felle lampen, een hoge kraan.

Iemand brulde ‘actie’ en pas toen kwam er leven in de Sint. Hij zette het op een holletje over de brug, draaide zich halverwege half om en rende toen weer verder naar de filmploeg. Hij moest een vermoeide, nogal moedeloze Sint uitbeelden, was mijn indruk. Aan het einde van de scène – ik geloof althans dat het er nog bij hoorde – trok hij puffend de mijter van zijn hoofd en verwijderde hij ook zijn pruik. Hij kwam mij vaag bekend voor.

„Oké Michiel”, zei de opnameleider tegen de Sint, „nu doe je het nog een keer over en duw dan ook even je hand in je zij.”

De Sint keerde terug naar de overkant en de scène werd nog enkele malen herhaald. Kennelijk was de Sint nogal bang voor overacting, want ik zag hem geen enkele keer naar zijn zij grijpen.

Interessanter was de situatie die vlakbij de filmploeg begon te ontstaan. Daar had zich een nieuwsgierige moeder opgesteld met achterop haar fiets een zoontje van een jaar of vijf, zes, getooid met een bont valhelmpje.

„Dag Sinterklaas”, riep het jongetje.

De vrouw maakte enkele foto’s met een digitale camera, zonder nog te weten hoe de scène zou aflopen. Mijn aandacht, en ook wel mijn leedwezen, ging vooral uit naar het kind, dat plotseling geconfronteerd werd met een Sint die het haar van zijn kop rukte.

Hoe moet je dat als Sintvrezend kind plaatsen? Je hebt de Sint altijd als een eerbiedwaardig, boven elke morele twijfel verheven verschijning gezien, en opeens staat hij daar zwetend en blazend voor je, met een pruik die half van zijn hoofd afhangt. Het ontbrak er nog maar aan dat de Sint naar een boom liep, zijn kleine knecht te voorschijn haalde en een plas deed.

Het jongetje bleef verstijfd en sprakeloos zitten. Ik weet niet of we hier van verbijstering mogen spreken. Verbijstering gaat gepaard met beginnend besef van wat er gaande is. Dit kind leek me eerder bezig met het onderbrengen van een onbegrijpelijke gebeurtenis in een schuilhoek van zijn fantasie. Het was gebeurd, maar het was ook niet gebeurd. Hij zou er voorlopig niet meer aan denken.

Over een flink aantal jaren zal hij de film misschien zien. Hij zal dan Michiel Romeyn als Sint zien acteren in Alles is liefde, een komedie naar een script van Kim van Kooten, en hij zal heimwee krijgen naar het jongetje dat hij toen was – en dat nog in alles kon geloven.