Schelden in een snelkookpan van emoties

Verbaal geweld lijkt inmiddels normaal te zijn in een voetbalstadion. Af en toe steekt de verontwaardiging de kop op. Zoals bij het schelden van Wesley Sneijder. „Een stadion is een snelkookpan van emoties.”

Koen Greven en

Erik van der Walle

Scheidsrechter Hugo Luyten twijfelde nog even. Had hij goed gehoord wat Volendam-speler Marcel Valk hem in de wedstrijd tegen FC Twente had toegedicht? Blinde lul? De arbiter riep Valk bij zich en kreeg meteen duidelijkheid. Voor de zekerheid deed Valk er nog een schepje bovenop.

De rode kaart die volgde, werd op een week na tien jaar geleden uitgedeeld. Toen was Valk (39) boos, achteraf is hij het met de scheidsrechter eens die de term „blinde kankerhomofiel” aan de tuchtcommissie meldde. „Excuses aanbieden en je straf direct accepteren is het enige dat erop zit”, zegt Valk, inmiddels trainer bij de Zuid-Hollandse amateurclub Koudekerk. „Als een speler van mij nu zoiets zou roepen, haal ik hem naar de kant.”

Marcel Valk kreeg destijds drie wedstrijden schorsing. Wesley Sneijder werd gisteren ook voor drie wedstrijden geschorst, waarvan één voorwaardelijk. De Ajacied werd zondag in het duel met Sparta al na dertien minuten van het veld gestuurd door scheidsrechter Ruud Bossen. Hij zou hem voor „blinde tyfushond” hebben uitgescholden. Sneijder ontkende dat het tegen de arbiter was. Bovendien, verweerde hij zich, wordt zoiets zo vaak geroepen, het is voetbaltaal. En ook straattaal.

„Een stadion is een snelkookpan van emoties”, zegt Jeffrey Wijnberg, psycholoog en auteur van het boek De kunst van het kwetsen. Over het schelden zegt hij: „Eigenlijk wil je elkaar, op dat moment, gewoon dood hebben. Dat is de emotie. De concentratie is heel hoog. Je hebt de hele week naar die twee maal 45 minuten toegewerkt. Bij een overtreding denk je niet: hoe zal ik dat eens gaan zeggen?”

In de hitte van de strijd je laten gaan, dat kwam eind jaren vijftig ook al voor. Daarvan kan Humphrey Mijnals getuigen, de eerste Nederlander van Surinaamse afkomst in de hoogste klasse van het Nederlandse voetbal. De inmiddels 75-jarige oud-international herinnert zich een duel tegen Heerenveen, waarin de befaamde Abe Lenstra hem toebeet: „Vuile zwarte, ga terug naar je land.” Mijnals: „Ik zei toen: ‘Wat moet je nou, vieze blanke’.”

Mijnals wil niets meer te maken hebben met het betaald voetbal. „Mij zien ze niet meer in de stadions. Het draait alleen nog om geld. En het ontzag voor de scheidsrechter is verdwenen. Dat was in mijn tijd wel anders. De scheidsrechter was de baas. Daar schold je niet tegen.”

Als er werd gescholden, was het hooguit tegen tegenstanders, zegt Mijnals. En het ging minder diep: „Lenstra en ik hebben na afloop van de wedstrijd gewoon handjes geschud. Daar hebben we niet moeilijk over gedaan. Nu lijkt alle respect verdwenen.”

Ook Bert Konterman (35), oud-speler bij onder meer Feyenoord en Glasgow Rangers en nu actief voor de christelijke stichting Sports Witnesses, heeft zich zondag geërgerd. Zelf schold hij als speler niet zoveel: ‘klootzak’ en ‘klerelijer, je kan er geen hout van’, verder ging hij niet. „Dat is al erg genoeg.”

Hij begrijpt dat anderen misschien makkelijker schelden, maar wat hij niet begrijpt is het gebrek aan berouw. Waarom probeerde Wesley Sneijder, net als zijn trainer Henk ten Cate, zijn wangedrag na de wedstrijd goed te praten, vraagt Konterman zich af. „Dat vind ik veel erger dan zijn uitbarsting. Na de wedstrijd zou hij weer bij zinnen moeten zijn. Zijn verweer dat op straat ook wordt gescholden is geen argument: er worden op straat ook mensen doodgeschoten.”

Helemaal uit den boze vindt Konterman discriminerende taal. Kenneth Perez van Ajax die twee weken geleden een donkere grensrechter uitschold voor ‘kankerneger’: „Ontoelaatbaar”, zegt Konterman. „Zelfs in een opwelling mag je nooit discrimineren.”

Stephan Steinmetz, coördinator van het Landelijk Informatiepunt Supportersprojecten, vindt dat clubs, trainers en spelers moeten beseffen dat ze een voorbeeldfunctie vervullen. „Met talloze projecten proberen wij jonge supporters zich te leren gedragen. Daar wordt veel tijd en energie in gestoken. Maar een scheldende Wesley Sneijder op Talpa heeft een veel grotere impact. Dan kunnen wij weer opnieuw beginnen.”

Net als Mijnals en Konterman heeft Steinmetz zich eraan gestoord dat Sneijder en Ten Cate naar excuses zochten. „Ze laten zich gaan en komen daarna met een theorie om hun gedrag goed te praten. Op de radio zegt Ten Cate: ‘Als we iedereen wegsturen die scheldt, spelen we straks vijf tegen vijf.’ So what, denk ik dan. Dat moet dan maar. Van het betaald voetbal mogen we best een beetje zelfreinigend vermogen verwachten. Het is net of we ons allemaal mogen laten gaan in het stadion. Alsof we bij de ingang dertig procent van onze moraal inleveren.”

Met enige regelmaat zorgt het verbale geweld tot ophef. Dat geldt ook voor de spreekkoren die een wekelijks fenomeen worden. Volgens psycholoog Wijnberg heersen in een stadion, „hoe jammer misschien ook”, gewoon andere normen en waarden. „Er is natuurlijk geen poort waar je onderdoor loopt waarop staat: hier gelden geen normen. Maar in zo’n stadion – met zijn extase, agressie en depressie – passen ook spreekkoren.”