Nederland laat recht wijken voor macht

Nederland is sinds 11 september 2001 het spoor in de internationale rechtsorde bijster geraakt. Tijd voor een fundamenteel debat in het nieuwe parlement, meent André Nollkaemper.

Gedreven door eigenbelang en idealisme, is Nederland al eeuwen een voorvechter van de internationale rechtsorde. We streven naar bescherming van rechten van de mens, dragen bij aan vredesmissies en verklaren Den Haag tot juridische hoofdstad van de wereld.

Ons geloof in internationaal recht gaat zover dat we internationaal recht volwaardig toelaten in de nationale rechtsorde en het voorrang geven boven de Grondwet. Weinig staten hebben ons hierin gevolgd.

Dit Nederlandse geloof in internationaal recht verhult echter een in toenemende mate problematische werkelijkheid. 11 september 2001 en bovenal de westerse reactie daarop, heeft de internationale rechtsorde in zijn fundamenten geraakt. Dit laat de positie van Nederland niet onaangetast. In het Nederlandse buitenlands beleid wijkt internationaal recht steeds vaker voor macht.

Dat gebeurt meestal niet zo uitdrukkelijk als in de Verenigde Staten (we proberen de schijn op te houden dat we de internationale rechtsorde dienen), maar het resultaat is hetzelfde.

Onze politieke steun voor de inval in Irak in 2003 toonde hoe Nederland internationaal recht tot voorbij het buigpunt kan buigen om iets wat verboden is toelaatbaar te achten. Het kabinet blijft herhalen dat de inval juridisch was gelegitimeerd, omdat Irak in strijd handelde met de wensen van de VN-Veiligheidsraad en omdat de raad toestemming had gegeven voor de inval.

Door die vermeende juridische rechtvaardiging kunnen we ons ook onttrekken aan elke verantwoordelijkheid voor de toestand waarin Irak is beland – internationaal recht vroeg immers om de inval. Maar de stelling dat dit een rechtmatige oorlog was, blijft juridisch onhoudbaar, hoe vaak die ook wordt herhaald. Er was eenvoudigweg geen machtiging van de Veiligheidsraad tot geweldgebruik.

Ook onze betrokkenheid bij Operation Enduring Freedom in Afghanistan staat op gespannen voet met internationaal recht. We baseren dit op art. 51 van het VN-Handvest, dat bepaalt dat een staat die is aangevallen (de VS) het recht heeft op zelfverdediging en dat andere staten (zoals Nederland) deze daarbij kunnen helpen. Maar het is nauwelijks vol te houden dat vijf jaar na dato het doden van Talibaanstrijders nog steeds nodig is om de VS te beschermen. Als dat wel nodig is, had deze taak allang moeten worden overgeheveld naar de Veiligheidsraad.

Andere voorbeelden zijn het onthouden van steun aan de oproep van VN-secretaris-generaal Annan voor een staakt-het-vuren in het conflict tussen Israël en Libanon en de door de minister-president uitgesproken steun voor het doodvonnis van Saddam Hussein, terwijl dat proces evident in strijd was met het recht op een eerlijk proces.

Om misverstanden te voorkomen: Nederland blijft op tal van gebieden een principiële en positieve rol spelen in de internationale rechtsorde. Maar tegelijkertijd dreigt internationaal recht een speelbal te worden. Het krijgt onvoldoende gewicht in de politieke besluitvorming. De internationale rechtsstaat verdwijnt uit beeld, en we keren terug naar de jungle van de internationale samenleving die we na de Tweede Wereldoorlog verlaten leken te hebben.

Hetzelfde internationale recht dat we als hoogste waarheid toelaten in ons nationale rechtssysteem, maken we nu inwisselbaar voor naakte macht. Dat kan niet zonder gevolgen blijven voor onze eigen rechtsstaat. Daarvoor is de grens tussen binnen- en buitenland, tussen de internationale en de nationale samenleving te veel vervaagd.

Onze onderwerping aan het internationale recht was gebaseerd op de idee dat internationaal recht goed recht was. Maar als het Nederlandse gebruik van internationaal recht de maat zou worden, blijft er van dat idee weinig over.

Willen we werkelijk onze Grondwet onderwerpen aan een rechtssysteem dat het (volgens Nederland) rechtmatig maakt om een hel in Bagdad te creëren, en dat het rechtmatig zou maken om een verdachte (ook al is het Saddam Hussein) ter dood te veroordelen volgens een procedure die in strijd is met het fundamentele recht op een eerlijk proces?

De veranderingen in de internationale rechtsorde na 11 september 2001 bedreigen onze rechtsstaat ook in andere opzichten. De Veiligheidsraad treedt in de strijd tegen het terrorisme steeds meer op als een wetgever, die zonder last, ruggespraak of controle het in Nederland geldende recht bepaalt.

Kort geleden heeft het parlement een wet aangenomen die organisaties verbiedt die zijn opgenomen op de terroristenlijsten die door de Veiligheidsraad en de EU zijn opgesteld. De samenstelling van die lijsten is zeer ondoorzichtig.

Tegen plaatsing op de lijst en de rechtsgevolgen daarvan, bevriezing van tegoeden en nu ook verbod op de organisatie, staan nauwelijks effectieve rechtsmiddelen open. We geven ons over aan een internationaal proces dat verantwoordelijkheid en rechtsbescherming mist.

Onze koers in de internationale rechtsorde dreigt dus te ontsporen. We ondermijnen de internationale rechtsorde door recht steeds vaker te laten wijken voor de macht. Nu ook op al tal van andere wijzen de internationale rechtsorde na 11 september 2001 aan kwaliteit verliest (zoals de rol van de Veiligheidsraad in de strijd tegen het terrorisme), rijst de vraag of het wel een goed idee was de deuren van ons eigen rechtsstelsel onvoorwaardelijk te openen voor internationaal recht. Is de internationale rechtsorde niet te onvolgroeid om onze grondwettelijke bescherming overboord te werpen?

Voortgaan op de na 11 september 2001 ingeslagen weg zal op enig moment eisen dat de nationale grondwettelijke bescherming wordt versterkt en dat de deur naar automatische toepassing van internationaal recht wordt gesloten. Andere staten hebben die keuze al gemaakt. Maar dat zal een heilloze weg zijn, waarvan de internationale gemeenschap als geheel het slachtoffer zal worden.

Nationalisering van het recht is niet langer een optie in een geïnternationaliseerde samenleving. De internationale rechtsstaat en de nationale rechtsstaat zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De enige weg voorwaarts is het versterken van de internationale rechtsorde. Niet alleen in het belang van de internationale gemeenschap, maar ook in het belang van de bescherming van onze rechtsstaat.

Dat vraagt dat internationaal recht serieus wordt genomen en een zwaardere rol krijgt in de politieke besluitvorming, ook in Den Haag. Het vraagt ook het versterken van de rechtstatelijkheid van internationale organisaties zoals de Veiligheidsraad waaraan we ons buitenlands beleid overlaten.

Het lijkt tijd voor een fundamenteel debat over de opstelling van Nederland in de internationale rechtsorde en de gevolgen daarvan voor de internationale en de nationale rechtsstaat. Er zijn al veel kansen ongebruikt voorbijgegaan (verkiezingscampagnes, Nationale Conventie over de Grondwet).

Een nieuw parlement en een nieuwe kabinetsformatie bieden nieuwe kansen. Dat debat zou niet beperkt moeten blijven tot Irak. Dat was slechts een symptoom van een dieper liggend probleem.

André Nollkaemper is hoogleraar internationaal publiek recht aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is een verkorte versie van de lezing die hij maandag aan de UvA uitsprak. De volledige tekst is na te lezen op www.uva.nl/maagdenhuisopmaandag