Kontkrummel met stevige knuisten

De onlangs verschenen biografie Ben Bril. Davidster als ereteken is een eerlijk portret van een bokslegende. „Bril was heldhaftig, maar ook egoïstisch.”

„Te vaak is uitzonderlijke strijdbaarheid en moed toe te schrijven aan prestaties onder extreme weersomstandigheden, zoals de heroïsche schaatstriomf van Reinier Paping in de zwaarste Elfstedentocht aller tijden (1963) of de legendarische etappe van Erik Breukink, die in 1988 in de Ronde van Italië een angstaanjagend beijzelde Passo di Gavia bedwong en meer als ijspegel dan als wielrenner zegevierde. Maar hoe karaktervol deze prestaties ook waren, ze rechtvaardigen nog geen biografie in de ware betekenis. Het was te eenmalig, te incidenteel. Ben Bril daarentegen is, hoe omstreden het verloop van zijn leven ook vaak was, zo’n levensbeschrijving alleszins waard.”

In het voorwoord van zijn onlangs verschenen biografie Ben Bril. Davidster als ereteken laat Ed van Opzeeland er geen misverstand over bestaan: bokser Ben Bril (1912-2003) was een legende. En legendes verdienen een eerbetoon. „U kunt ook deze biografie als zodanig beschouwen”, schrijft de sportverslaggever van wie dertig jaar geleden al het boksstandaardwerk Koningen van de Bokssport verscheen.

Zo’n voorwoord doet vermoeden dat we met een hagiografie te maken hebben. Maar niets is minder waar. Ben Bril. Davidster als ereteken is een eerlijk portret van een voormalig topsporter die door zijn omgeving vaak voor complex en eigenzinnig werd gehouden. Aan het slot van het rijkelijk geïllustreerde boek maakt Van Opzeeland de balans op. Hij typeert Bril als zachtaardig, heldhaftig en rechtvaardig. Maar ook als rechtlijnig, arrogant en egoïstisch. De auteur legt zijn waarnemingen zelfs aan een astrologe voor. „Haar duiding op basis van het sterrenbeeld (kreeft) en de ascendant (ram) van de oud-bokser en de invloeden daarop van de respectieve planeten, bevestigde niet alleen de positieve en negatieve kanten van het karakter van Ben Bril, maar verhelderde ook het waarom.”

Barend Bril (roepnaam: Bennie) werd als zesde van zeven kinderen geboren in de Amsterdamse jodenbuurt. Zijn vader was vishandelaar, zijn moeder runde een buurtwinkeltje. Na schooltijd vermaakte hij zich met „niet reglementaire krachtmetingen” in de buurt. Iedere straat had zo zijn eigen uitblinkers. In de Valken-burgerstraat – waar het gezin Bril voor 70 cent per week woonde – gold de goed ogende straatvechter als ‘het knokkertje’. „Die kontkrummel kan zijn knuisten sturen als een geschoold vuistschermer”, constateerde zijn tien jaar oudere broer Emanuël, zelf geen onverdienstelijk bokser.

Bril was elf jaar toen Emanuël hem meenam naar ‘De Jonge Bokser’, een boksschool in de buurt van het Rembrandtplein. Emanuël betaalde een kwartje lesgeld per week voor zijn broer, op voorwaarde dat deze geen training zou missen. Zo ver kwam het nooit, want Bril ontpopte zich als een gedisciplineerd en ambitieus bokser. Om zijn techniek te verfijnen ging hij geregeld naar Artis, waar hij de bewegingen van de katachtigen bestudeerde. Zijn opvallende vechtmethode – een priemende linkse directe en voetenwerk als van een balletdanseres – zou hij van de poema’s, tijgers en civetkatten hebben afgekeken.

In 1927 behaalde Bril op vijftienjarige leeftijd zijn eerste nationale titel. Een jaar later maakte hij deel uit van de Nederlandse equipe voor de Olympische Spelen in Amsterdam; Bril was eigenlijk nog te jong voor deelname, maar de Nederlandse Boksbond (NBB) fraudeerde met de inschrijfformulieren. In de categorie vlieggewicht (tot 50,80 kilogram) bereikte hij de kwartfinales, waarin hij het aflegde tegen de Zuid-Afrikaan Buddy Lebanon. Hoewel Brils beste jaren als bokser nog moesten komen, zou hij nooit meer aan de Olympische Spelen deelnemen. Bij de Spelen van 1932 in Los Angeles versperde een antisemitisch bestuurslid van de NBB hem de weg. En voor Berlijn (1936) wilde hij zelf niet worden geselecteerd, omdat hij twee jaar eerder met eigen ogen had gezien dat Duitsland „in de greep van een racistisch regime was”.

Toch was Bril alles behalve bang. Van Opzeeland beschrijft hoe hij in 1937 – vijf jaar voordat de bezetter Nederlandse joden verplichtte een Davidster te dragen – een wedstrijd in Krasnapolsky speelde in een boksbroek met zespuntige gele ster. „De Davidster werd voor Ben Bril het symbool van onverschrokkenheid”, verklaart Van Opzeeland de geruchtmakende actie. „Uit trots voor zijn afkomst zou hij het er nooit meer afhalen.”

Bril bokste in totaal 331 wedstrijden, waarvan hij er slechts negen verloor. Hij won acht keer de nationale titel. Maar zijn sportieve hoogtepunt was de gouden medaille op de Joodse Wereldspelen van 1935 in Tel Aviv. „Zou u acht nationale titels willen inruilen om de titel joods wereldkampioen weltergewicht te mogen behouden?” werd hem in interviews vaak gevraagd. Met enige schroom gaf hij dan toe dat die titel zelfs zijn trouwdag in de schaduw stelde. „Boksen is mijn eerste huwelijk, daarna komt Celia.”

In de oorlog werd Bril, samen met zijn vrouw Celia en zoon Albert, via de doorgangskampen Vught en Westerbork naar Bergen-Belsen gedeporteerd. In het tv-programma Sportpaleis de Jong vertelde hij zeven jaar geleden wat hem als kampgevangene op de been hield: het boksen. „Zo konden wij ons uitleven en lieten wij de moed niet zakken” aldus Bril, die tijdens de opnamen aan een vergevorderde vorm van Alzheimer leed. Na zijn terugkomst uit Bergen-Belsen weigerde hij zijn rentree te maken. „Want naar wie moet ik kijken op de eerste rij? Hitler heeft in mijn familie voor 182 vacatures gezorgd.”

Op aandringen van zijn vrouw – die niet langer kon aanzien hoe hij worstelde met zijn kampverleden – haalde Bril eind jaren veertig zijn scheidsrechtersdiploma. En daarmee begon een tweede succesvolle carrière in de ring, die in het boek minstens zoveel aandacht krijgt als zijn eerste. Bril genoot groot aanzien als arbiter: hij werd vaak voor internationale topwedstrijden ingeschakeld en maakte drie Olympische Spelen mee. In het juryrapport van het Olympisch bokstoernooi in Tokio (1964), waar hij tot beste scheidsrechter werd uitgeroepen, wordt Bril geprezen om zijn oog voor esthetiek: „Bij de Nederlander staat de schoonheid van het boksen voorop.”

Ben Bril, Davidster als ereteken, Ed van Opzeeland. Uitgeverij AP/De Buitenspelers, 157 pagina’s. Prijs 29,50 euro.